Identiteit is het verhaal dat je over jezelf vertelt, elke dag opnieuw

Mijn kankeridentiteit

© Brecht Goris

Dat ik ooit kanker kreeg en nog steeds in leven ben, is een deel geworden van mijn identiteit. Even toevallig en tegelijk bepalend als al die andere delen van wat een identiteit zou kunnen zijn.

Ik heb het nooit zo moeilijk gehad met nadenken en spreken over identiteit. Het onderwerp uit de weg gaan, is niet zo slim, denk ik. Ik heb het wel heel erg moeilijk met een bepaald soort identiteitspolitiek waarbij ik word verondersteld een min of meer eenduidige identiteit te hebben die zou moeten bepalen wie ik ben (en wie anderen niet zijn). Dat ene stukje van mijn meervoudige en fluïde identiteit zou per definitie belangrijker moeten zijn dan die andere. En op basis van dat ene stukje zou ik moeten verbonden zijn met anderen van wie men officieel heeft vastgesteld dat ze de juiste identiteitskenmerken hebben om tot de club te mogen behoren.

Er zijn veel dingen die bepalen wie je bent. Ze kunnen van dag tot dag in volgorde wisselen. Identiteit is het verhaal dat je over jezelf vertelt, elke dag opnieuw. In werkelijkheid verloopt dat allemaal veel chaotischer dan sommigen denken of zouden willen. Op basis van het ene of het andere kenmerk kun je je verbonden voelen met die of met die. Ik ben toevallig door het lot op deze plek in tijd en ruimte geworpen. Ik heb daar geen enkele verdienste aan en ik kan in principe ook geen enkel voorrecht inroepen tegenover andere mensen die even toevallig op een andere plek in de wereld terechtkwamen.

Je bent in je rol als burger lid van een politieke gemeenschap. Burgerschap is in wezen verder meer een praktijk dan enkel een statuut. Meervoudig burgerschap is de beste garantie dat je je als mens met een meervoudige identiteit kunt engageren voor de gemeenschap. Ik ben Leuvenaar (weliswaar geen ‘echte’, want inwijkeling), Vlaming, Belg, Europeaan en ook wereldburger. Ik ben dat in tijden van klimaatcrisis, waardoor ik besef dat de enige vorm van soevereiniteit – als dat begrip nog relevant is – ligt in een gedeelde, collectieve, mondiale soevereiniteit en verantwoordelijkheid voor de huidige en de toekomstige generaties.

Ik heb er geen probleem mee om Vlaming te zijn, als ik ook al die andere dingen mag zijn

Om maar te zeggen: ik wil geen lid zijn van de Vlaamse natie. Ik heb er geen probleem mee om Vlaming te zijn, als ik ook al die andere dingen mag zijn. Ik ben vaak best wel blij dat ik toevallig hier in het leven geworpen ben en ik wil mij inzetten voor de andere mensen die hier verblijven, maar even vaak ben ik ook verontwaardigd en beschaamd.

Dat mijn moedertaal het Nederlands is, is een belangrijk deel van wie ik ben. Ik ben blij dat mensen voor mij ervoor geijverd hebben dat ik die taal vrij kan gebruiken en koesteren. Ik ben verder even blij dat ik mag verblijven in andere talen en voel me soms beschaamd als ik hoor dat veel zogenaamd trotse Vlamingen niet eens zelf in staat zijn een aanvaardbaar Nederlands te spreken, of die taal willen gebruiken om mensen uit te sluiten.

Ik ben geboeid door de geschiedenis en het cultureel erfgoed van deze plek in de wereld, maar ik wil ook steeds de rafelranden van de geschiedenis zien. Ik ben blij dat slimme en kritisch denkende historici mij leren om telkens opnieuw naar de geschiedenis te kijken, die in vraag te stellen en die vooral niet te willen gebruiken als een instrument om te bevestigen wat moest bevestigd worden. Ik huiver ervan als alle tragische toevalligheden van de geschiedenis zo bij elkaar zouden geharkt worden dat ze zouden moeten bewijzen dat hier al eeuwenlang een of andere trotse en eenduidige natie in wording is, waarvan ik dan ook nog eens de trotse uitdrager zou moeten worden.

En voor het verwijt weerklinkt dat ik zo’n nihilistische postmoderne bobo ben: ja, ik wil ook graag “ergens” zijn, ik wil me kunnen verbinden met een plek en met andere mensen, ik wil deel kunnen zijn van verbanden of gemeenschappen, maar wel als ik tegelijk ook meervoudig of meerlagig mag zijn. Federaal als het ware. Een federaal model gaat uit van gedeelde bevoegdheden en verantwoordelijkheden (lokaal, Vlaams, Belgisch, Europees, mondiaal) en van samenwerking, niet van splitsing in zogenaamd “homogene” of eenduidige pakketten. Het is in beweging, zoals een divers ecosysteem dat is. Een beetje zoals een identiteit, eigenlijk…

Kankercanon

Die hele omweg was er om iets te zeggen over mijn kankeridentiteit, een deel van wie ik ben geworden in het leven. 20 jaar geleden kreeg ik kanker. In de zomer van 1999 kreeg ik de diagnose darmkanker. Elk jaar rond deze tijd komt er een soort verwarring over mij, ergens tussen verdriet, angst, dankbaarheid en besef van kwetsbaarheid. Trots komt er niet echt bij, denk ik. Het voelt telkens alsof ik iets wil herdenken, in leven wil houden.

Soms, op een onbewaakt moment, overvalt de herinnering aan die kloteziekte me ineens. Het is alsof de grond onder je voeten verdwijnt, voor heel even. Ineens is er weer die vervreemdende lichaamservaring, het gevoel dat je je eigen lichaam niet kunt vertrouwen (iets wat ik sowieso al ingewikkeld vind). Ineens is de dood heel dichtbij, zie je de gezichten van de mensen die zo belangrijk zijn in je leven.

Soms, ook op een onbewaakt moment, is het alsof het kankerverhaal ver weg is, weggedreven in mijn herinnering. Ook dan kan ik in paniek schieten. Alsof ik zou vergeten hoe kwetsbaar het leven is. Alsof ik zou vergeten hoe mijn lichaam wel degelijk veranderd is door die ziekte. Het is een cliché, maar elke dag nog voel ik me dankbaar voor elke dag extra die ik tot nu toe al gekregen heb van het leven.

Waarom ik – zo jong nog toen – kanker kreeg, weten we na al die jaren eigenlijk nog steeds niet. Het blijft onbestemd, en dat is niet zo erg. Het is wel zo dat sinds die zomer kanker een deel geworden is van wie ik ben. Ik ben, toevallig, lid geworden van een familie. Er zijn nog heel wat andere dingen die mee bepalen wie ik zo ongeveer ben: dat ik jammer genoeg geen kinderen heb, dat ik tranen in mijn ogen krijg van Bach, dat mijn lichaam pijn begint te doen als ik te lang geen mooie woorden kan lezen of schrijven, dat ik vegetariër ben, dat ik probeer een waterrimpel bij te dragen aan een maatschappij die binnen planetaire grenzen leeft, dat ik schoenmaat 47 heb, en nog zoveel meer.

Sinds die zomer weet ik ook nog veel beter dat ik er maar kan zijn doordat er anderen zijn, met wie ik me verbonden voel, en zonder wie ik nu waarschijnlijk niet meer zou leven. Ik wil graag deel blijven uitmaken van die familie en het voelt belangrijk om te blijven gedenken, of zoiets.

Soms komt er wel eens een vraag van iemand. Ben je daar nu nog steeds mee bezig? Je bent toch genezen? Die vraag verwart me. Wie ik ben, wat die ziekte voor mij is geworden, het zijn dingen die niet zo eenduidig zijn. Het is goed dat onlangs in de krant stond dat wetenschappers ook waarschuwen tegen het gebruik van oorlogstaal in geval van kanker. (Ik schreef er zelf vroeger ook al over.)

Wie je bent, is een steeds wisselende hoop beelden, verlangens, angsten, verhalen. Sommige daarvan zijn bewust, andere niet. Sommige kun je zelf “maken”, door ze tot een verhaal te knutselen, andere niet. Het zou aantrekkelijk kunnen zijn om te zeggen dat ik twintig jaar geleden “het” gevecht tegen “de” ziekte kanker heb “gewonnen”, en dat ik nu dus een soort “overwinnaar” ben. In dat geval zou ik voor mezelf een verkeerd soort kankercanon hebben gemaakt.

Ik zou stoer en trots kunnen zijn, en zo overroepen dat het in werkelijkheid vooral drassig en onbestemd was. Ik heb vooral veel geluk gehad, zo eenvoudig is het. De vrienden en familieleden die ik sindsdien aan die kloteziekte heb verloren, hebben vaak veel harder gevochten, als je dat woord toch zou willen gebruiken. Hebben zij dan “verloren”, omdat ze nu niet meer leven? Hebben we meer respect voor hun leven als we hen omschrijven als “trotse strijders”?

Zij die niet meer bij ons zijn, hebben ons ook een beetje gevraagd om heel voorzichtig met dat leven om te gaan

We zijn door het lot verbonden in onze verschillen en in het aanmodderen, niet door onze gereduceerde identiteit. Mijn vriend Willy, getroffen door longvlieskanker door asbest, klampte zich vast aan het leven maar had geen schijn van kans. Mijn vader Staf kreeg keelkanker, waarschijnlijk door het roken, wachtte te lang om er iets van te zeggen, en verdween in het ziekenhuis geruisloos uit het leven op een zondagmorgen. Ze waren allebei complexe mensen, groot en klein tegelijk, en ze leven niet meer. Als ik terug ziek zou worden, ga ik deze keer misschien wel dood.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Wat wil ik dan gedenken? De anderen, zij die het niet gehaald hebben. Ze kijken naar mij. Ik wil dat ze dicht bij me blijven, ergens. Om te beseffen hoe waardevol en kwetsbaar het leven is en dat te kunnen vieren, moet je ook de dood in het leven zien en toelaten. We dragen het leven in onze kwetsbare handen, het is een geschenk.

Zij die niet meer bij ons zijn, hebben ons ook een beetje gevraagd om heel voorzichtig met dat leven om te gaan. Ze zijn er ergens in ons hoofd, in hun woorden die we herhalen, in de bewegingen die we van hen leerden. Als ik sterf, verdwijn ik in mijn dierbaren, en dat is wel een veilig gevoel. Gedenken is ook falen en stotteren. Het is al die ingewikkelde en verwarrende gevoelens tegelijk, als een gebroken spiegel van een identiteit die al even verwarrend en meerstemmig is. Gelukkig maar.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.