Onbegrijpelijke framing van "Integratierapport" van Liesbeth Homans

Thuis amper Nederlands. Et alors?

© Pieter Stockmans

Syrische kinderen met hun Poolse vriendinnetje in Leuven

‘Thuis amper Nederlands’, kopte De Morgen gisteren groot op de voorpagina, als belangrijkste nieuws uit het nieuwe onderzoek dat Vlaams minister van Inburgering en Gelijke Kansen Liesbeth Homans (N-VA) liet uitvoeren. Alsof dat een probleem zou zijn.

De Survey Samenleven in Diversiteit is een grootschalige bevraging van bijna 4500 personen van Belgische, Marokkaanse, Turkse, Poolse, Roemeense en Congolese herkomst in Vlaanderen. Het rapport is vernieuwend omdat de onderzoekers actief op mensen met buitenlandse wortels toestapten om hen actiever te kunnen betrekken en bevragen over de aspecten van het samenleven in diversiteit die vaak onderbelicht blijven. De survey bekijkt bijvoorbeeld hoe ouders taal en culturele tradities doorgeven aan de kinderen. Bij nagenoeg alle herkomstgroepen zeggen 9 op de 10 ouders zijn of haar taal te willen doorgeven aan de kinderen. 9 op de 10 respondenten van Roemeense of Poolse herkomst spraken uitsluitend de herkomsttaal met hun ouders. Bij de Marokkaanse herkomstgroep spraken 6 op de 10 respondenten enkel de herkomsttaal met hun ouders. Dit gaat vooral over immigranten die al meerdere generaties in België wonen. Bij 47% van de Marokkaanse en 45% van de Turkse herkomstgroep is het Nederlands de best gekende taal. Bij de Poolse en Congolese herkomstgroep gaat het om 25% en 22%. Bij de Roemeense herkomstgroep ligt dit aandeel het laagst: 11%.Het rapport is nuchterder dan de tendentieuze framing in de media. Met de woordkeuze “amper” en “Turkse en Marokkaanse Vlamingen doen het een pak beter” (tegenover Polen en Roemenen) problematiseert De Morgen het feit dat ouders thuis met hun kinderen de herkomsttaal spreken.

De kwaliteit van de integratie moet nochtans gemeten worden aan de mate van kennis van het Nederlands in de publieke ruimte, niet in de thuisomgeving.

Minister Homans heeft nog niet uitvoerig gecommuniceerd over het rapport. Ze stelde dat ze er nog geen beleidskeuzes aan wil koppelen. Maar de framing in de media zegt wel veel over de onderliggende teneur in de samenleving, die zich later kan vertalen in retoriek of beleid van ministers.

Zo was er al de reactie van Vlaams minister-president Geert Bourgeois (N-VA) in Ter Zake: ‘Een grote meerderheid van ouders en kinderen gebruikt de herkomsttaal. Er is een vooruiting bij de tweede en derde generatie immigranten, zoals Turken en Marokkanen. Maar een groot deel blijft de herkomsttaal spreken. Taal is dé sleutel tot integratie.’

Maar onderling, in de publieke ruimte, spreken zij Nederlands. En in de thuisomgeving, een privéaangelegenheid, spreken de ouders vaak de herkomsttaal en de kinderen Nederlands. Et alors?

Ik ben er elke dag op de gewoonste manier getuige van.

Als de temperatuur in Vlaanderen boven de 25 graden stijgt, organiseer ik vaak Syrisch-Belgische barbecues bij mijn ouders. Zo ook afgelopen weekend. De Syrische kinderen spreken Nederlands met een Leuvens accent, na 2,5 jaar in België. Hun beste vriendin, een Pools meisje, mocht meekomen. Ze spreken onderling, natuurlijk, Nederlands. Hun Syrische en Poolse ouders en familie spreken, met inspanningen, Nederlands met Vlamingen.

De Syrische moeder en de Poolse moeder zijn vriendinnen, ook al hebben ze geen enkele vlotte gemeenschappelijke communicatietaal. Maar ze communiceren toch in het Nederlands, en voor de rest in de universele taal die “wederzijds respect” heet.

De Syrische familie was de week voordien verhuisd en had de overname van de water- en elektriciteitsleveranciers geregeld met de nieuwe Roemeense huurders, in het Nederlands.

Ze communiceren toch in het Nederlands, en voor de rest in de universele taal die “wederzijds respect” heet.

Dat hier het afgelopen decennium een nog multiculturelere samenleving is ontstaan tussen Vlamingen, Syriërs, Polen en Roemenen die allemaal in het Nederlands interageren in één Leuvense wijk – ja, we zijn allemaal nieuwkomers in deze samenleving – is niet hun eigen keuze. Maar ze maken er wel het beste van.

Dat Syriërs hier terecht zijn gekomen, is de keuze van de Syrische president Bashar al-Assad en de grootmachten die hem steunen. We zouden onze verontwaardiging veel meer op die oorlogsmisdadigers moeten richten in plaats van op hun slachtoffers.

Dat de Polen en de Roemenen een beter leven zoeken in andere EU-lidstaten, is trouwens hun recht als EU-staatsburgers.

Begin dit jaar deed ik onderzoek naar de rol van buitenlandse bedrijven, waaronder ook Belgische, in het in stand houden van ongelijkheid en armoede in Roemenië. In 2016 deed ik onderzoek naar economische achterstelling in sommige delen van Polen. In beide landen is de emigratie richting West-Europa een aanhoudend en zelfs toenemend fenomeen.

Als je mijn reportages leest, zal je merken dat we onze verontwaardiging ook hier beter zouden richten op de soms corrupte krachten die hun levens kapot maken, in plaats van op de slachtoffers die een diepe levenskracht tentoon spreiden in hun zoektocht naar menselijk geluk.

Op het puin van die krachten laten deze mensen mooie vruchten groeien. Het is een voorrecht om dat elke dag te mogen ervaren. Iedereen die de multiculturele samenleving op deze manier zou ervaren, zou er hetzelfde over denken.

Het Syrische en Poolse meisje denken niet na over het feit of ze Syriërs of Polen zijn, ze zijn inwoners van Leuven. Maar thuis hebben hun ouders het recht om de eigen cultuur te vrijwaren en zelfs te beschermen tegen de dominante Vlaamse, Nederlandstalige cultuur.

Waarom zou het een toonbeeld van goede integratie zijn als de ouders met hun kinderen thuis Nederlands zouden spreken?

De publieke ruimte wordt beheerst door het Nederlands. En dat is normaal. Maar waarom zou het een toonbeeld van goede integratie zijn als de ouders met hun kinderen thuis Nederlands zouden spreken? De ouders zullen heus niet beter Nederlands leren door met hun kinderen thuis Nederlands te spreken. En kinderen spreken sowieso op school en op alle andere plaatsen Nederlands. Zelfs onder elkaar spreken de kinderen thuis Nederlands.

Bij 9 op de 10 ouders van Marokkaanse of Turkse herkomst spreken de kinderen onderling Nederlands. Bij de Syrische kinderen zie ik dat ook. Poolse en zeker Roemeense kinderen spreken onder elkaar dan weer veel meer de eigen taal.

Ik zou het vreemd vinden als Vlaamse conservatieven en nationalisten verontwaardigd zouden zijn over het feit dat ouders thuis de eigen taal spreken en hun kinderen aanmoedigen om thuis de eigen taal te spreken.

Vlamingen die gestreden hebben voor het behoud van de eigen taal en cultuur zouden de eersten moeten zijn om te begrijpen dat ook anderen hun taal en cultuur niet verloren willen laten gaan.

Moeten die kinderen de band met hun eigen taal en cultuur helemaal verliezen? Moeten ze helemaal ontworteld geraken en op latere leeftijd geconfronteerd worden met conflicten in hun thuisomgeving omdat ze die niet meer begrijpen?

Als je je eigen taal verleert – ik zie dat gebeuren met Syrische kinderen – word je volledig losgekoppeld van je eigen wortels. Het is juist die kloof tussen twee werelden, waarbij het kind zich in geen van beide werelden nog thuisvoelt in plaats van in allebei, die vaak integratieproblemen veroorzaakt.

Daarom steun ik de Syrische ouders als ze hun kinderen aanmoedigen om thuis de eigen taal te spreken, het Koerdisch. Dan kunnen ze voeling houden met de eigen familie-omgeving én met de diverse Vlaamse samenleving waarin ze functioneren.

De sleutel tot integratie is niet het opgeven van je eigen cultuur, maar leren navigeren tussen de culturen.

Moeten ze helemaal ontworteld geraken en op latere leeftijd geconfronteerd worden met conflicten in hun thuisomgeving omdat ze die niet meer begrijpen?

Het onderzoek zelf stelt dat kennis van het Nederlands kan bijdragen tot een betere participatie. Uiteraard, in de publieke ruimte. Daar spreek je Nederlands, dat spreekt voor zich. Ouders volgen Nederlandse lessen en leren zo hun plaats vinden in de Vlaamse samenleving die beheerst wordt door het Nederlands.

Maar de meerwaarde voor ouders om ook in de privéomgeving Nederlands met hun kinderen te spreken, is mij onduidelijk. Dat ze het Nederlands, de taal waarin hun kinderen opgroeien, machtig zijn om ze in de privéomgeving te kunnen gebruiken als dat nodig is, is dan weer wél belangrijk.

Concreet: vooral op het vlak van onderwijs gaapt een kloof die wel eens met de gebrekkige interactie tussen de taal in de thuisomgeving en de taal in de schoolomgeving te maken kan hebben.

Ruim 7 op de 10 leerlingen met een Belgische nationaliteit die in Vlaanderen in 2015 een diploma secundair onderwijs hebben gehaald, volgden in het daaropvolgende academiejaar een professionele of academische bacheloropleiding. Bij de niet-Belgen gaat het om iets minder dan de helft van de leerlingen.

Die kloof dicht je niet met een beleid dat het spreken van Nederlands thuis stimuleert. Maar door de ouders nog meer te stimuleren om het Nederlands nog beter te beheersen, zodat ze zich deel voelen van de Vlaamse samenleving, zodat ze beter kunnen participeren en volgen waarmee hun kinderen op school bezig zijn.

Ik merk dat er weinig communicatie is tussen de leerkrachten van de Syrische kinderen en de ouders. Of dat de ouders de boodschappen van de leerkrachten in de klasagenda niet begrijpen. Gezien de taalbarrière is die communicatie nochtans essentieel om te voorkomen dat de ouders achterblijven, ten opzichte van hun eigen kinderen.

De ouders voelen zich soms verloren, alsof het onderwijs van hun kinderen iets is waar “de Vlamingen” mee bezig zijn. Iets van de school en de kinderen alleen, zonder de ouders. De ouders zijn niet in staat om hun kinderen bij te sturen of te stimuleren als dat nodig is, omdat ze soms geen benul hebben van de leefwereld van hun eigen kinderen op de school.

Het is dat gebrek aan stimulans dat op cruciale momenten in het leven van een kind een kloof kan doen ontstaan. Bijvoorbeeld als studiekeuzes moeten worden gemaakt.

Ik zou het schitterend vinden moest de Vlaamse regering investeren in communicatie en menselijk contact als instrumenten om de kloof te dichten.

Dat ouders het Nederlands, de taal waarin hun kinderen opgroeien, machtig zijn om ze in de privéomgeving te kunnen gebruiken als dat nodig is, is wél belangrijk.

Is het trouwens geen tijd voor een Vlaamse minister van Onderwijs met buitenlandse wortels, zoals Najat-Vallaud Belkacem in Frankrijk? Misschien zou zo’n minister harder strijden voor de juiste investeringen?

De Leuvense schepen van Onderwijs Mohamed Ridouani (sp.a) lanceerde exact elf jaar geleden het zogenaamde Buddy-project, waarbij vrijwilligers naschoolse studiebegeleiding geven aan maatschappelijk kwetsbare jongeren, om hun slaagkansen te verbeteren.

Ik kan zonder overdrijven zeggen dat zulke projecten en extra naschoolse huiswerkklassen de toekomst van de Syrische kinderen op de Leuvense school bepalen. Want het is niet omdat oorlog hen heeft ontworteld uit hun oude wereld, dat zij in hun nieuwe wereld voorbestemd moeten zijn om daar voor heel hun leven de gevolgen van te dragen.

Ik beschouw projecten als het Leuvense Buddy-project als vormen van verzet tegen oorlog en onrecht.

De Vlaamse regering zou steden middelen kunnen bieden voor iets gelijkaardig voor ouders. Vorig jaar bracht ik een werkbezoek aan het project Work and Integration for Refugees van de Duitse stad Hamburg. Deze stad toont dat het kan. Ook minister Homans zou het project kunnen bezoeken, samen met de schepenen van Werk en Gelijke Kansen van de belangrijkste Vlaamse centrumsteden.

Integratie van een gezin aan twee snelheden – de kinderen als een raket, de ouders als een slak – is riskant op lange termijn. Laat de ouders niet achter. De Global Goals for Sustainable Development, met de slogan #LeaveNoOneBehind, gelden ook voor ons.

Als we ervan uitgaan dat we een diverse samenleving zijn, en dat er vele mensen onder ons leven met een ongelijke startpositie waaraan ze zelf geen schuld hebben, en als we niet meer willen dat sommige groepen achterblijven, dan moeten we investeren in ondersteuning van scholen, leerkrachten, werkgevers en ouders. Dan moeten we bruggen bouwen die van beide werelden één wereld maken.

We kunnen veel leren van de kinderen. De Syrische meisjes voelen zich aangetrokken tot Chinese kinderen. Ze vinden hen lief en schattig. En hun kleine broertje van drie speelt in de kleuterklas vaak met een Congolees meisje. Konden we maar allemaal kind blijven. Zij tonen nieuwsgierige interesse in elkaars verschillen, maar maken er verder geen punt van en spelen gewoon met elkaar. Maar dat heet “naïef”, zeker?

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur