Minderjarige vluchtelingen in België: de trauma’s achter de cijfers

Een wereld van verschil? De Afghaanse zorgenkinderen van België

© Minor-Ndako

De woonkamer is leeg, op een jongen na. Hij zit met zijn hoofd gebogen, armen als steunpilaren, in de zetel. Toch wil hij even praten, laat hij weten. Hij heeft iets te vertellen, maar, waarschuwt hij meteen, hij is vandaag slechtgeluimd. Ik probeer zijn gemoed te masseren met de melding dat het gesprek ook in het Farsi kan plaatsvinden, in de veronderstelling dat hij Dari spreekt, de Afghaanse variant van het Perzisch, maar hij reageert met een laconiek: ‘Nederlands is goed hoor.’

‘Wil je graag wat drinken?’, vraagt hij. Hij wandelt naar de keuken, die hij deelt met de kok en de acht andere Afghaanse jongens die hier samen met hem in een leefgroep wonen. Die andere jongens, allemaal tussen twaalf en zestien jaar oud, zijn nog op school, maar hij is hier. Hij komt terug met een glas water.

Slapeloze nachten

Het centrum Minor-Ndako van Anderlecht heeft plaats voor dertien kinderen op de vlucht. NBMV, heten ze in opvangjargon: Niet Begeleide Minderjarige Vluchtelingen. Aangezien er iedere week dertiental in ons land terechtkomen, is dat aantal opvangplaatsen in Minor-Ndako, namelijk negen bedden en vier studio’s, ontoereikend. In 2017 was ongeveer 55 procent van de NBMV die aankwamen in België, net als Arash* afkomstig uit Afghanistan.

Na aankomst in Belgie brengen de NBMV enkele weken door in een Observatie- en Oriëntatiecentrum (OOC). In een tweede fase worden ze doorverwezen naar een collectieve opvangstructuur, zoals een federaal opvangcentrum of een centrum van het Rode Kruis. Degenen die ouder zijn dan 16 en voldoende zelfstandig, mogen naar een lokaal opvanginitiatief (LOI) georganiseerd door lokale OCMW’s. Ze kunnen er zelfstandig wonen, zij het met de nodige begeleiding.

‘Volgens het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind heeft hij slechts tot zijn achtiende recht op documenten en opvang. Dat bezorgt hem slapeloze nachten’

De meest kwetsbare jongeren die binnen het federale opvangnetwerk geen gepaste hulp kunnen vinden, komen terecht in centra zoals Minor-Ndako. Op landelijk niveau heeft Minor-Ndako 54 residentiële plaatsen en 88 plaatsen voor zelfstandig wonen voor alleenstaande minderjarige vluchtelingen, in Brussel, Aalst en Gent.

Arash* is zeventien jaar en een maand oud. Hij herhaalt dat vijf keer. Vandaag bleef hij thuis, want zo noemt hij dit centrum al bijna twee jaar, ‘omdat hij alweer niet heeft kunnen slapen’. Zijn stugge houding bij het begin van het gesprek brokkelt gestaag af. ‘Kijk’, zegt hij plots terwijl hij wat dichter naar me toe schuift en stiller gaat praten, zodat de rest hem niet kan horen, ‘ik wacht nu al twee jaar op een antwoord op mijn asielaanvraag.’

Nog elf maanden voor hij de gevreesde leeftijd van achttien bereikt. Volgens het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind heeft hij slechts tot die leeftijd recht op documenten en opvang. Dat bezorgt hem slapeloze nachten. ‘Ik hoop gewoon dat ik niet word teruggestuurd.’

Huilen en machogedrag

Tijdens de vluchtelingencrisis van 2015 kwamen meer dan drieduizend kinderen op de vlucht, zonder ouders of familie, aan in België. Bij duizend van die drieduizend kinderen werd vastgesteld dat ze getraumatiseerd zijn, door de gruwel in hun thuisland of door de lange, mensonterende tocht naar België.

Daarna daalde het aantal aanvragen NBMV sterk (1000 aanvragen in 2016, 800 in 2017) toch blijft het een moeilijke taak om deze jongeren gepast te omkaderen. Deze minderjarigen zijn ontheemd en ontworteld en hebben bovendien als nieuwkomer een lang en moeizaam proces van inburgering voor de boeg. Wat voor impact heeft dit op het emotioneel welzijn van die jongeren? En vooral, hoe kan hulpverlening soelaas bieden?

Arash kwam iets meer dan twee jaar geleden aan in Brussel-Noord. Daar begon zijn tocht van het ene asielcentrum naar het andere. ‘Het was verschrikkelijk’, zucht hij. De voortdurende verplaatsing is na een uitzichtloos leven thuis en een helse tocht naar België. voor vele jongeren de druppel.

‘Je leert mensen kennen en je moet snel weer afscheid nemen’, vertelt hij. ‘Soms zat ik met zo veel anderen op een kamer, met zo veel talen en culturen, en dan maakten we ruzie. Tieners die behoefte hebben om uit te huilen, maar dat niet durven te doen, gebruiken machogedrag weleens als een beschermingsmechanisme. Bovendien spraken wij, Afghanen onderling onze eigen taal, wat belette dat we Nederlands leerden. Je bouwt alleen maar frustraties op, en je geraakt niet verder.’

In het centrum van Minor-Ndako in Anderlecht gaat het er anders aan toe. De jongeren die hier geplaatst worden, hebben altijd iets te doen, overdag gaan ze allemaal naar school. Het onderwijs geeft hen, naast een daginvulling en de kans om gewoon kind te zijn. Wanneer ze thuiskomen, wacht een groep begeleiders hen op om samen huiswerk te maken, te eten, en activiteiten te plannen. Deze sociale relaties zijn cruciaal in het leven van deze jongeren zonder familie. ’s Avonds aan tafel valt op hoeveel de jongeren, de begeleiders en zelfs de poets- en kookhulp aan elkaar hebben.

Trauma’s en stress

‘Ze doen er alles aan om je welkom te doen voelen, en dat apprecieer ik’, zegt Arash. Aan foto’s van elke jongen apart, coole groepsfoto’s en lieve berichten. In een hoek van de kamer staat een playstation met een stuk of vijf controllers. Arash onderbreekt mijn momentopname: ‘Maar wat ze niet kunnen verhelpen, is dat mijn hart breekt van het wachten.’

‘Deze nacht kreeg ik weer een paniekaanval. “Wat met mijn papieren?’” is de vraag die dan door mijn hoofd spookt. Vandaag ben ik hier, maar wil ik op school zijn. Ik wil het graag goed doen, ik wil goede punten halen, maar soms lukt het me gewoon niet.’ Arash kijkt me aan met tranen in zijn ogen -iets wat hij duidelijk liever niet had toegelaten. ‘Mag ik nu even weg?’, vraagt hij.

Wat de psychologische ondersteuning nog meer onmisbaar maakt, is dat er ook na de vlucht dus trauma’s kunnen ontstaan.

Het opvangsysteem in België is volgens de hulpverleners (psychologen, pedagogen en eerstelijnswerkers) nog te weinig aangepast aan de noden van deze jongeren. Door de verlieservaringen die gepaard gaan met hun trauma’s, hebben ze vooral psychologische ondersteuning nodig. En hoewel men op de traumatische ervaringen zelf al lang geen vat meer kan hebben, zorgen deze nog dagelijks voor stress.

Arash is een pijnlijk goed voorbeeld van het belang van die psychologische ondersteuning. Hij ligt ’s nachts wakker van de stress. Hij vertelde ook dat de politie niet geloofde, toen hij pas aankwam, dat hij maar zestien jaar oud was. Maandenlang moest hij verschillende testen ondergaan –botscans en dergelijke– om dat te bewijzen. Dit maakt wel deel uit van de procedure, maar is niettemin belastend.

Bovendien is niet het type trauma bepalend voor het welbevinden van de jongeren, maar het aantal trauma’s dat ze oplopen. Wat de psychologische ondersteuning nog meer onmisbaar maakt, is dat er ook na de vlucht dus trauma’s kunnen ontstaan.

Begrenzen en begrijpen

Voor hij vertrok, vertelde Arash nog dat er hier bij Minor ‘gelukkig een Kerstin’ is. Zij is de in-huis psycholoog bij Minor-Ndako. Kerstins kantoor ligt op enkele meters van de woonkamer.

‘Wij proberen iets voor de minderjarigen te betekenen in het licht van het gebrek aan veiligheid dat ze zowel in hun thuisland, onderweg als in België ervaren. Wat bij hen nooit zal verdwijnen, is hun gemis’

Als ik aanklop, loopt een van de jongste kinderen van Minor het kantoor uit. ‘Kom maar binnen,’ zegt Kerstin Thys vanuit haarkantoor, de go-to plek voor alle jongeren in de leefgroep. ‘Onze taak’, legt ze meteen uit, ‘is het bieden van een ondersteunende omgeving. We denken na over hoe wij iets voor hen kunnen betekenen, gezien alle moeilijkheden en het gebrek aan vertrouwen dat ze zowel thuis, onderweg als in België ervaren hebben. Wat bij hen nooit zal verdwijnen, is hun diepe gemis. Ze hebben alles achter gelaten.’

Uit de conversatie met Kerstin blijkt al snel dat Arash geen uniek geval is. Jongens die ’s nachts te veel piekeren ziet ze vaak. Het gewicht van het verlies dat ze geleden hebben, weegt zwaar. En dat is niet enkel voor de jongens zelf een probleem, maar ook voor de leerkrachten op school. Gelukkig, zegt Kerstin, bellen leerkrachten vaker en sneller om te overleggen. Als scholen samenwerken met de psychologen en pedagogen worden ze echt onmisbaar in de vroegtijdige detectie van psychosociale problemen.

Kerstin moedigt de leerkrachten aan om te begrenzen en begrijpen. ‘We kunnen niet altijd denken “och arme jongen”, want zo helpen we hen uiteindelijk ook niet voort. We moeten aan de toekomst werken, en dat kan enkel door een combinatie van begrijpen, maar ook begrenzen’, stelt ze. De hulpverleenster vertelt over een jongen die altijd te laat was op school omdat hij moeilijk in slaap viel, en dus ’s morgens niet uit zijn bed geraakte. ‘De leerkrachten waren zo lief voor hem dat hij eraan wende dat hij mocht uitslapen. Dat helpt natuurlijk ook weer niet.’

© Minor-Ndako

Liever voetbal dan therapie

‘We motiveren de jongeren om aan sport te doen, om creatief te zijn, en velen doen dat bij wijze van therapie. Dat helpt echt’, aldus Kerstin. Het is een aanpak die nauwer aansluit bij de cultuur en waarden van sommige van deze jongeren. Over problemen praten is voor de meesten aanvankelijk een taboe. ‘Bovendien kan praten over je achtergrond, terwijl een volwassene aantekeningen maakt, aanvoelen als een ondervraging door de politie. Dit kan leiden tot angst en gevoelens van onveiligheid, vooral bij jongeren die uit instabiele regio‘s komen waar het moeilijk of zelfs onmogelijk is anderen te vertrouwen’, verduidelijkt Kerstin.

‘Dat is de reden waarom Minor-Ndako medewerkers zichzelf en hun manier van werken voorstellen, voordat ze de jongeren persoonlijke vragen gaan stellen. Zo proberen we het verschil willen maken, en dat doen we in samenwerking met een ploeg pedagogen.’ De psychologen bij Minor-Ndako vinden het belangrijk dat jongeren zich op hun gemak voelen, dat ze controle hebben over wat ze willen zeggen en wat niet.’

Dit alles zou de jongeren in staat moeten stellen om in de toekomst, wanneer ze alleen gaan wonen, indien nodig hulp te zoeken. De doorverwijzing naar andere psychologen is namelijk iets wat heel moeilijk blijft. Daarom wordt er gewerkt met kleine verbeteringen.

Hamza wil helpen

Die kleine verbeteringen zijn voor sommigen van groot belang. Hamza* is zestien jaar oud, en al drie jaar in België. Na achttien maanden in de leefgroep Minor mocht hij verhuizen naar zijn eigen studio, op kamertraining, net boven de leefgroep. Hoe hij dat verdiende? ‘Door hard te werken en te blijven groeien’, zegt Jana, zijn begeleidster. Hamza gaat thee halen en zet een kom met snoepjes op tafel, zijn glimlach is even groot als Jana’s fierheid.

‘Ik wil zo snel mogelijk wat geld verdienen en daarmee mensen helpen. Ik heb zo veel van mensen gekregen, op straat, in alle landen. Ik geef daarom nu al zoveel mogelijk terug’

Sinds zijn aankomst bij Minor gaat Hamza drie maal per week boksen. ‘Het helpt me om te gaan met stress,’ zegt hij. ‘Je moet als jonge vluchteling aan zo veel denken, je moet zo veel regelen.’ De meest voorkomende vragen voor de tweetalige helpdesk van Minor-Ndako, Manorea, komen van jonge vluchtelingen die worstelen met administratieve procedures zoals gezinshereniging.

Een voogd kan hierbij zeker helpen, maar vaak zijn het de jongeren zelf die hierin de administratieve last van hun thuisland dragen. ‘Het is bijna onhaalbaar om dat zelf te doen,’ zegt een medewerker van de helpdesk. En toch moet het.

‘Zeker toen ik nog geen papieren had, was het moeilijk,’ blikt Hamza terug. ‘Ik heb mijn papieren gekregen in hetzelfde jaar dat ik aankwam. Ik had geluk. Voor veel jongens die ik ken, ligt dat anders.’

Voor Hamza gaat het elke dag beter, zegt hij. ‘Ik heb geleerd om alleen vooruit te kijken.’ Momenteel studeert Hamza grootkeuken in Mechelen. ‘Ik wil zo snel mogelijk wat geld verdienen en daarmee mensen helpen. Ik heb zo veel van mensen gekregen, op straat, in alle landen. Ik geef daarom nu al zoveel mogelijk terug, maar veel geld heb ik nog niet.’ Zijn begeleidster suggereert dat hij om die reden ook bokskampioen wil worden, omdat hij dan geld kan verdienen.

Net voor hij moet vertrekken naar zijn bokstraining, spreken we even over zijn thuisland. Hamza zegt dat hij niet veel contact meer heeft met zijn familie. ‘Ik voel me soms heel schuldig,’ zegt hij. ‘Schuldig omdat ik hier zo veel kansen heb en mijn familie in slechte omstandigheden moet leven. Ze hebben in Afghanistan geen mogelijkheden om zichzelf te ontplooien, en ik heb die, dankzij alle hulp die ik gekregen heb, wel.’

© Minor-Ndako

Wat kleine dingen betekenen

Mirana* is al veertien jaar schoonmaakster bij Minor-Ndako. ‘Je mag me tata noemen,’ zegt ze spontaan, ‘dat doen de jongens ook.’ Zelf kwam ze zeventien jaar geleden aan in België. ‘Ik begrijp heel goed hoe de kinderen zich voelen, ook al was ik zelf geen vluchteling. Als je weet hoe die kinderen hier aankomen, besef je dat ze wat verloren hebben. Ze zijn alleen en soms is er helemaal niemand om hen te helpen. Dus ik weet wat alle kleinen dingen kunnen betekenen.’

‘In die zin is Minor-Ndako heel belangrijk voor de jongeren. De helpverleners doen zo veel voor hen. Het feit dat ze hier nu halal producten hebben, omdat de meesten afkomstig zijn uit moslimlanden, is veelzeggend. Ze kunnen voor het eerst het gevoel krijgen dat ze thuis zijn, zodat ze dan op hun gemak de taal kunnen leren, en ten slotte de manier van leven in België.’ Mirana wil in dat proces dienen als een soort grootmoeder, die af en toe kleren helpt wassen, naaien, en dergelijke meer.

‘Minor creëert een familie voor de jongeren. Het is niet alleen een opvangcentrum, het is een thuis. De keerzijde is dan natuurlijk dat de kinderen na enkele jaren weer moeten vertrekken. Dat is niet alleen voor ons moeilijk, maar ook voor hen. Het geweldige is dan wel dat ze altijd terug op bezoek komen,’ aldus Mirana.

Van zorgenkind tot kotstudent

Dat het loslaten moeilijk is, wordt meteen duidelijk bij Major in Brussel, de grote broer van Minor-Ndako, waar NBMV van zestien tot achttien jaar net iets meer zelfstandigheid genieten. Elham* is zestien jaar oud en vertrekt er na een jaar om alleen te gaan wonen in Aalst, naast zijn school.

De medewerkers van Major staan trots maar verdrietig aan de deur te kijken hoe de jongen de auto vult met al wat hij de voorbije twee jaar verzamelde. Een donsdeken, een computer, een waterkoker. ‘Het is een beetje zoals op kot gaan’, zegt Karin, zijn begeleidster. Hij blijft even achter de auto staan opdat niemand hem kan zien huilen.

Net voor zijn vertrek loopt Elham terug naar binnen en geeft hij iedere medewerker een knuffel. ‘Sorry dat ik soms wat moeilijk deed’, zegt hij met gebogen hoofd. De directeur lacht en neemt hem in zijn armen. Elham werd bij het begin van zijn verblijf gezien als zorgenkind, maar hij is zo geëvolueerd dat hij op de prille leeftijd van zestien al “alleen” mag gaan wonen.

Die zelfstandige woonst zal hij delen met vijf andere Niet Begeleide Minderjarige Vluchtelingen en zes Belgische studenten. Karavanserai is een van de projecten van Minor-Ndako dat de jongeren toelaat om nog steeds begeleid, maar toch zelfstandig in een studio te gaan wonen.

‘Zo’n drie jaar geleden kwam Elham hier helemaal alleen en gebroken aan. Vandaag woont zelfstandig en weet hij dat er mensen zijn die hem willen helpen’

Een voor een haalt Elham de verhuisdozen uit de auto. ‘Er staat zelfs een zetel! Misschien kan ik wat vrienden uitnodigen’, zegt een aangenaam verraste Elham. In een eerste gesprek met zijn nieuwe begeleidster hoort hij dat ze hem een keer per week zal bezoeken. En dan volgt een to-do-lijst waarin geen detail ontbreekt: van de buzzypas die hij binnenkort mag gaan halen, de kosten van gas en water die hij zal moeten betalen, tot de locatie van de dichtstbijzijnde Aldi en Action.

‘En als je je even niet goed voelt, Elham? Weet je dan wie je moet bellen?’ vraagt zijn nieuwe begeleidster hem tot slot. ‘Ja, jou denk ik?’ reageert hij met een glimlach. Hij verheugt zich op deze nieuwe start, maar hij is ook zichtbaar opgelucht dat er nog steeds een vangnet is. Dat heeft hij nodig, tot hij volledig op eigen benen kan staan.

‘Je komt me toch nog bezoeken, Karin?’ vraagt Elham. Het wordt stil, ze nemen afscheid. Even later rijden we van Aalst terug richting Brussel. ‘Zo’n drie jaar geleden kwam Elham hier helemaal alleen en gebroken aan,’ zegt Karin. Vandaag woont hij naast zijn school, kan hij gaan voetballen, mag hij vrienden uitnodigen en weet hij dat er mensen zijn die hem willen helpen. Dat is een wereld van verschil.

Deze reportage kwam tot stand dankzij een MO*onderzoekt beurs, en met de medewerking van hulpverleners van Minor-Ndako in Anderlecht, Aalst en Brussel.

*Alle namen werden uit respect voor privacy van de jongeren gewijzigd.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift