Portret van Julia Duncan-Cassell, speciaal gezante voor de Afrikaanse Unie

Deze Liberiaanse politica doet er alles aan om het geweld in Tigray te stoppen

© Joyce Boghosian, courtesy of Meridian International Center

Julia Duncan-Cassell, Liberiaans minister van gender, jongeren en ontwikkelingssamenwerking

Ooit was ze gouverneur van de grootste regio van Liberia en vervolgens minister, maar vandaag zet Julia Duncan-Cassell zich in voor vrede in Tigray. Ook al ligt die Ethiopische deelstaat in de andere uithoek van het continent. Samen met vele andere Afrikaanse vrouwen doet ze alles wat in haar macht ligt om het geweld in Ethiopië te doen stoppen. ‘Ik werkte als minister met vrouwen en kinderen, de meest kwetsbaren in de maatschappij. Dat heeft me veel geleerd over waar de prioriteiten moeten liggen in de herstelpolitiek na een conflict.’

Julia Duncan-Cassell, voormalig minister van Gender en Sociale Bescherming, Liberia. Haar naam staat bovenaan de lijst van vrouwen die in december een brief aan de Ethiopische en internationale machtshebbers ondertekenden. ‘Het geweld in de Hoorn van Afrika raakt ons allemaal: moeders, zusters en grootmoeders van dit continent. Wij kennen het leed van wapens die broeders en zusters tegen elkaar opzetten. Dit geweld moet stoppen.’

Met die woorden opende de groep vrouwen achter African Women for Peace de brief. Duncan-Cassell (61) is een van de initiatiefneemsters en woordvoerster van het collectief.

Julia Duncan-Cassell is geboren in 1960 in het district Grand Bassa in Liberia. In 1980 verhuist ze naar de hoofdstad om er te studeren en te werken. Enkele jaren later vertrekt ze naar de VS en studeert aan de universiteit van Phoenix Business and Finance. Ze werkt zich vervolgens snel op in de financiële sector.
In 2006 keert ze terug naar Liberia en wordt gouverneur van Grand Bassa. Van 2012 tot 2017 is Duncan-Cassell minister van Gender, Jongeren en Ontwikkelingssamenwerking in de tweede regering van president Ellen Johnson Sirleaf.

 

Sinds eind vorig jaar heeft de wereld er een conflictgebied bij: de Ethiopische deelstaat Tigray. Op 4 november koos Ethiopisch premier Abiy Ahmed voor de harde confrontatie met de leiders van de noordelijke deelstaat. Ahmed kreeg in 2019 de Nobelprijs voor de Vrede, maar ging toch op oorlogspad.

Wat volgens hem een binnenlandse aangelegenheid was, een kort offensief “om de rechtsorde te herstellen”, draaide snel uit op een regionale ramp. Federale troepen vielen Tigray binnen, met de steun van milities uit buurland Eritrea en deelstaat Amhara. Abiy wilde de regionale leiders opnieuw in de pas doen lopen. Het historische, erg invloedrijke Tigray People’s Liberation Front (TPLF) moest een lesje in nederigheid krijgen. De oorlog werd de militaire uitloper van een politieke machtsstrijd die Ethiopië al lang over etnische lijnen verdeelt.

‘Het is lastig om vanuit Liberia gewoon toe te kijken en me neer te leggen bij wat daar gebeurt.’

Het gevolg is een humanitaire catastrofe. Volgens de Verenigde Naties zijn ondertussen meer dan twee miljoen Tigreeërs ontheemd. Het federale regime deed er alles aan om pottenkijkers te weren, waardoor het aantal doden slechts een schatting is. Minstens 2000 geïdentificeerde en 7000 niet-geïdentificeerde doden waren in april geteld.

De meeste slachtoffers vielen bij massamoorden: Eritrese en Ethiopische troepen dreven vooral mannen, maar ook vrouwen en kinderen, samen en executeerden hen. De bewijslast van oorlogsmisdaden stapelt zich op.

Ook de getuigenissen over groepsverkrachtingen zijn nog amper bij te houden. Een vrouw vertelde aan de Britse krant The Telegraph hoe ze samen met zeventien andere vrouwen ontvoerd werd: ‘Ze namen ons mee naar het bos. Zo’n honderd soldaten wachtten ons op. Ze bonden onze handen en voeten vast en verkrachtten ons zonder genade.’

Duncan-Cassell ligt er wakker van. Ze was van 2014 tot 2017 minister van Gender in Liberia. ‘Ik heb gewerkt met vrouwen uit Soedan, Zuid-Soedan, Ethiopië, Eritrea… Ik weet wat ze doormaken. Het is lastig om vanuit Liberia gewoon toe te kijken en me neer te leggen bij wat daar gebeurt.’

Sinds ook steeds meer getuigenissen over het seksueel geweld naar buiten komen, laat ze ook geen gelegenheid onbenut om haar internationaal netwerk aan te boren en deze oorlogsmisdaden aan te klagen.

Invloedrijke vrouwen

Als speciaal gezante voor de Afrikaanse Unie (AU) werkt Julia Duncan-Cassell achter de schermen aan diplomatieke oplossingen voor het conflict. Ze is een ouwe getrouwe van Afrika’s eerste verkozen vrouwelijke presidente, Ellen Johnson Sirleaf. Ze maakte deel uit van diens tweede regering en onderhoudt vandaag nog steeds een nauw contact met de oud-presidente.

‘Ons land heeft de standaard gezet voor het hele continent. We kunnen nu niet zomaar toekijken.’

‘We hebben het dan ook vooral over Tigray’, zegt Duncan-Cassell. Het is geen toeval dat Liberiaanse vrouwen in het oog springen bij de acties voor een vredevolle uitkomst in dit conflict. ‘Waar ook ter wereld er een conflict is, wij nemen graag het voortouw’, beaamt Duncan-Cassell. ‘Ons land heeft de standaard gezet voor het hele continent. We kunnen nu niet zomaar toekijken.’

Op welke standaard doelt ze? Twee decennia geleden zag de hele wereld hoe duizenden vrouwen de vrede in Liberia afdwongen met volgehouden, mediagenieke zit- en seksstakingen. De vrouwen kregen toenmalig president Charles Taylor aan de onderhandelingstafel en zetten de nodige druk om een einde te brengen aan de burgeroorlog. ‘Liberia was een inspiratie voor de hele wereld’, weet Duncan-Cassell. ‘Liberiaanse vrouwen zijn daardoor invloedrijk.’

Die macht moet volgens haar worden aangewend om meer lijden te voorkomen. ‘De Hoorn van Afrika is de bakermat van de hele mensheid. Vrede en voorspoed zijn nodig om de toekomst van het hele continent veilig te stellen.’

© Kristof Devos

Geëxecuteerd

‘Als vrouwen herkennen we de pijn van onze zusters’, klinkt het in de brief van African Women for Peace. Duncan-Cassell weet met welke pijn oorlog en etnisch geweld gepaard gaan. Haar familienaam, Duncan-Cassell, geeft haar Americo-Liberiaanse afkomst weg. De Americo-Liberianen, ook wel het Congovolk genoemd, zijn een minderheid in Liberia. Ze stammen af van vrijgekochte slaven die in de 19de eeuw uit de Verenigde Staten weer naar het Afrikaanse continent migreerden. Tot 1980 domineerde het Congovolk de Liberiaanse politiek, bijna een eeuw lang.

In 1980 bracht een staatsgreep een einde aan die dominantie. ‘Mijn vader was vroeg gestorven en mijn oom had ons onder zijn hoede genomen. Hij betaalde ook mijn schoolgeld. Tijdens de staatsgreep van 1980 werd de president, samen met dertien leden van zijn regering, geëxecuteerd. Mijn oom was een van hen. De familie viel uiteen.’ Ook haar Americo-Liberiaanse familienaam maakte het leven plots een pak moeilijker. Ze was toen twintig.

De jonge Julia Duncan-Cassell verliet daarop haar thuisregio Grand Bassa en trok naar de hoofdstad, op zoek naar werk. Met steun van haar tante probeerde ze haar studies toch nog verder te zetten. ‘Met de hulp van familie kon ik uiteindelijk een studiebeurs bemachtigen in de VS.’

Zo ontsnapte ze in 1989 aan de burgeroorlog, die in haar thuisland meer dan 250.000 doden zou maken. ‘Ik behaalde in de VS mijn diploma’s, trouwde er en kreeg er kinderen. Maar ik bleef verbonden met Liberia. Vanuit de diaspora zetten we ook tal van acties op om ons thuisland te helpen.’

© Belgaimage / Pete Souza

Julia Duncan- Cassell (tweede van rechts) in 2015 als Liberiaans minister van Gender, Jongeren en Sociale Bescherming. Aan haar rechterzijde: Ellen Johnson Sirleaf, toenmalig presidente.

‘Doe wat je moet doen’

In 1997 reisde ze terug. ‘Het lijden in mijn thuisland raakte me diep. Na afloop van mijn bezoek zei ik tegen mijn familie dat mijn hart in Liberia lag, en dat ik meer wou doen.’ Toen de vrouwen de zitstakingen organiseerden zocht zij naar logistieke en financiële steun. Na het aftreden van president Charles Taylor, in 2003, wilde ze zelf deel uitmaken van de naoorlogse politiek. Ze keerde terug. ‘Mijn man was niet verrast. Hij zei dat hij het aan me had gezien. “Doe wat je moet doen. Ik zorg voor de kinderen”, zei hij.’

‘Werken met vrouwen en kinderen heeft me veel geleerd over waar de prioriteiten moeten liggen in de herstelpolitiek na een conflict.’

Eind 2005 won Ellen Johnson Sirleaf de verkiezingen. Die kreeg in 2011 de Nobelprijs voor de Vrede, samen met Leymah Gbowee, die de zitstakingen van de vrouwen organiseerde. Julia Duncan-Cassell werkte aanvankelijk als financieel experte op het kabinet van Johnson Sirleaf. Toen ze hoorde dat de presidente graag een vrouw wilde aan het hoofd van de regio Grand Bassa, haar thuisregio, stelde Duncan-Cassell zich meteen kandidaat. ‘Jij komt van de VS’, had Sirleaf eerst geantwoord. ‘De wegen in Grand Bassa zijn slecht. Dat is niets voor jou.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
‘Maar ik wilde het absoluut doen’, benadrukt Duncan-Cassell. En zo geschiedde. Zes jaar lang was ze gouverneur van de grootste regio van het land. Onder het tweede presidentschap van Johnson Sirleaf werd ze vervolgens minister. ‘Ik werkte met vrouwen en kinderen, de meest kwetsbaren in de maatschappij. Dat heeft me veel geleerd over waar de prioriteiten moeten liggen in de herstelpolitiek na een conflict.’

In 2018 eindigde het mandaat van Johnson Sirleaf, want na twee regeertermijnen kon die zich niet opnieuw kandidaat stellen. Liberia werd onder Johnson-Sirleaf niet bevrijd van interne spanningen en corruptie. Dat wordt de gewezen presidente soms ook verweten. Maar de geweldloze overgang van de ene democratisch verkozen leider naar een volgende is misschien wel haar belangrijkste verwezenlijking. ‘De vrouwen hebben volgens mij toch ook een belangrijke rol gespeeld in het bestendigen van de vrede’, weerlegt Duncan-Cassell de kritiek op (de regering van) Sirleaf.

© Reuters / Feisal Omar

Somalische vrouwen protesteren omdat hun zonen zouden moeten gaan vechten in de Tigray-regio, juni 2021. ‘Ik weet wat vrouwen doormaken. Het is lastig om toe te kijken en me daarbij neer te leggen.’

De wereld kijkt

In juni leden de troepen van premier Abiy Ahmed ook een militaire nederlaag, die hij zelf bestempelde als een zogenaamd eenzijdig staakt-het-vuren. Maar intussen worden Tigreeërs, ook buiten hun eigen deelstaat, overal het slachtoffer van geweld en discriminatie. De toegangswegen naar Tigray zijn nog steeds gesloten voor humanitaire hulp.

Diezelfde maand zette Duncan-Cassell haar naam en handtekening onder een nieuwe open brief, waarin vrouwen van Afrikaanse afkomst de VN-veiligheidsraad vragen om een publiek debat over het seksueel geweld in Tigray. ‘Wapenstilstand is geen garantie op veiligheid’, benadrukt ze. ‘De toegang tot voedsel ontzeggen, seksueel geweld niet bestraffen, de toekomst van de kinderen hypothekeren: dat is ook geweld.’ Er is nog werk aan de winkel, waarschuwt ze.

Oud-presidente Sirleaf kroop dan weer samen met de voormalige presidente van Ierland, Mary Robinson, in de pen. Ze vraagt de VN en de Afrikaanse Unie om meer inspanningen om de Hoorn van Afrika te stabiliseren.

De oorlog in Tigray heeft de reputatie van Abiy Ahmed als regionale verzoener onherstelbare schade toegebracht.

Kunnen open brieven aan internationale leiders het verschil maken? Het lijkt op het eerste zicht misschien twijfelachtig. Maar volgens een ervaren Belgische diplomaat (naam bekend bij de redactie, red.) kunnen zulke brieven wel degelijk een impact hebben. ‘Mobilisatie van de publieke opinie is een krachtig middel om pers en vervolgens politici bewust te maken van een probleem. Het helpt ook om bepaalde aspecten van een crisis meer prominent uit te lichten. Dan kan die kwestie van seksueel geweld bijvoorbeeld beter haar weg vinden naar resoluties en actieplannen.’

Volgens Duncan-Cassell beweegt er intussen ook wat op het internationale toneel. ‘De VN-veiligheidsraad had onlangs een overleg over Tigray. De vraag is of het snel genoeg gaat. Maar we weten dat de wereld kijkt.’

Het succes van een open brief hangt ook samen met de mate waarin een land rekening moet houden met de publieke opinie of met internationale bondgenoten. ‘Voor een land als Noord-Korea zal dat weinig uitmaken. Voor Ethiopië is dat anders’, legt de diplomaat uit. Ethiopië heeft zich lang geprofileerd als sterkhouder van de regio. De hoofdzetel van de Afrikaanse Unie bevindt zich in Addis Abeba. Maar de oorlog in Tigray heeft de reputatie van Ahmed als regionale verzoener onherstelbare schade toegebracht.

Dat de Afrikaanse Unie in Ethiopië zetelt, heeft ook die Unie zelf in een moeilijke positie gebracht. ‘De ligging van de AU maakt de bemiddeling zeker niet makkelijk’, bevestigt Duncan-Cassell. Het werk van speciaal AU-gezante Johnson-Sirleaf verliep aanvankelijk moeizaam. Ze werd niet toegelaten tot Tigray, en Ahmed probeerde het conflict lang af te doen als een binnenlandse aangelegenheid. Maar door de aanwezigheid van de Eritrese troepen en de zware humanitaire tol nam de internationale druk toe.

‘We gaan de goeie richting uit. Ik spreek Sirleaf geregeld en ik kan je zeggen dat ze vooruitgang boekt’, stelt Duncan-Cassell gerust. De Afrikaanse Unie opende ondertussen een onderzoek naar schendingen van de mensenrechten en humanitaire rechten in Tigray. ‘Maar het is net nu belangrijk dat er niet gezwegen wordt. Dit is niet voorbij. Er moet vanuit verschillende hoeken druk gezet worden. Hulpverleners, journalisten, vrouwen wereldwijd, moeten zich nu uitspreken’, roept ze op.

‘Ons doel is duidelijk. De vrede moet terugkeren naar dit belangrijke deel van Afrika. Dat komt in de eerste plaats de Ethiopische burgers ten goede, maar uiteindelijk iedereen.’

Elien Spillebeen over dit artikel

‘Zoals de vrouwen van Liberia’, hoor ik vredesactivisten in conflictgebieden wel vaker zeggen. Vrouwen ver buiten Liberia laten zich inspireren door het succes van de vrouwenbeweging daar. Het voorbeeld helpt vrouwen geloven dat hun verzet wél een verschil kan maken. Want aan dat laatste wordt zo vaak getwijfeld.

Dat kon ik met eigen ogen vaststellen toen ik in 2015 een groep moedige en gemotiveerde vrouwen vergezelde naar de lokale basis van de VN-blauwhelmen in Butembo, in het oosten van Congo. Ze wilden hun bezorgdheid delen over het geweld, dat toenam in de regio. Na lang aandringen konden ze spreken met een civiele verbindingsofficier en een officier van de VN-politie. Ik dacht dat men vriendelijk zou knikken, om vervolgens de bemerkingen naast zich neer te leggen.

Maar wat er gebeurde, sloeg me met verstomming. ‘Jullie vrouwen, wat weten jullie nu over militaire strategieën?’, lachte de politieman. Ze werden uitgelachen en vernederd. Nochtans slaagden deze gewapende mannen er zelf allesbehalve in om het geweld te stoppen.

Terwijl ik de berichtgeving volg over de recente oorlog in Tigray, valt het me sterk op: de Liberiaanse vrouwenbeweging is vandaag méér dan slechts een herinnering uit het verleden.

 

Dit portret werd geschreven voor het herfstnummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift