Dossier: 
“Slachtofferpropaganda” en de interne radicalisering

Waarom slaat de extreem gewelddadige propaganda van IS en Al-Qaeda aan?

Fady AlGhorra en Mahmoud Elsobky

 

Ultra-gewelddadige jihadistische propaganda is voor de meeste mensen overtuigend noch aantrekkelijk. Maar ondanks al de viscerale gruwel en het extreme geweld dat ze de wereld in sturen, slagen Al-Qaeda, IS en andere terreurgroepen er toch in om duizenden supporters aan te trekken over de hele wereld. De propaganda speelde een belangrijke rol bij de exodus van duizenden vooral jonge mensen naar een onzeker leven als jihadstrijders in de oorlogszones van Irak en Syrië. Sommigen ‘offerden zichzelf op’ in blinde, gewelddadige zelfmoordacties enkel gericht op het doden van zo veel mogelijk burgers.

De studie van de complexe mechanismen achter gewelddadige jihadistische propaganda is relatief nieuw, maar in de twee decennia sinds aanslagen van 11 september 2001 zijn toch een paar terugkerende patronen te herkennen. De juiste gevoelens bespelen en het zorgvuldig selecteren van een meestal jong publiek dat al gevoelig is voor het jihadistische gedachtengoed, maken zelfs het meest gewelddadige materiaal verteerbaar.

Gewelddadige jihadistische propaganda is altijd een complexe cocktail van boodschappen en ideeën geweest. Veel materiaal is er op gericht om bestaande onvrede over de conflicten in het Midden-Oosten op te poken, maar er is meer. Veel meer.

Calimero

Zoals bij elke communicatie-of marketingcampagne blijkt het aanspreken van het juiste publiek zeer belangrijk. ‘Wanneer IS of andere groepen gewelddadig materiaal publiceren, richten ze zich op een publiek dat al ingewijd is’, zegt jihadisme-onderzoeker Charlie Winter van het International Centre for the Study of Radicalisation and Political Violence (ICSR) in Londen.’Het is in de eerste plaats gericht op mensen die al rotsvast geloven dat er een wereldwijde samenzwering bestaat tegen de islam.’

Samenzweringstheorieën en het aannemen van een slachtofferrol zijn altijd een centraal thema geweest in het verhaal van groepen zoals IS en Al-Qaeda. We zagen de thematiek zelf bijna tot vervelens toe opduiken in de propaganda die we verzamelden tijdens ons jaar van online onderzoek naar jihadistische groeperingen.

‘De communicatie van IS is in de eerste plaats gericht op mensen die al rotsvast geloven dat er een wereldwijde samenzwering bestaat tegen de islam.’

Veel van de vijandigheid van jihadisten is gericht op wat zij noemen de seculiere of “ongelovige” regimes in het Midden-Oosten, die moslims onrechtvaardig zouden behandelen. Om die slachtofferrol te versterken, worden in tal van video’s, magazines en andere publicaties gewone burgers uit landen in het Midden-oosten getoond die lijden onder bombardementen, marteling of andere vormen van geweld door het Syrische of Iraakse leger.

Jihadistische propaganda speelt ook, en dat zal weinigen verbazen, op gevoelens van onderdrukking en onrechtvaardigheid die het gevolg zijn van acties van Westerse landen. We vonden veel materiaal dat pretendeert moslims te tonen die lijden onder Westerse miltaire acties in het Midden-Oosten. Voor groepen die zichzelf als Soennitisch beschouwen, zoals IS en Al-Qaeda, zijn ook rivaliserende Sjiitische groepen schuldig aan verdrukking van burgers. Ook Israël, joodse mensen en anderen die niet hetzelfde geloof hebben, worden gezien als onderdrukkers.

Die slachtofferrol wordt dan vaak perfect in de propaganda-mix gemengd. ‘Ze sturen bijvoorbeeld een cameraploeg naar een plaats waar net gebombardeerd is, liefst nog voor de hulpdiensten aankomen en er nog mensen onder het puin liggen, om er zeker van te zijn dat ze een paar goede foto’s kunnen maken van stervende kinderen of stervende oude mensen’, zegt Winter.

Fady AlGhorra en Mahmoud Elsobky

John Cantlie in Mosul

Een meer bizarre versie van die “slachtofferpropaganda” vonden we zelf in een serie IS-video’s uit 2016 met John Cantlie. De gegijzelde Britse journalist is te zien in verschillende stukken van Amaq en andere IS-propagandakanalen terwijl hij verslag uitbrengt over het lijden van gewone burgers in Mosul onder de Amerikaanse luchtbombardementen.

In één video beschrijft Cantlie hoe het bombarderen van de bruggen het leven van heel wat burgers in de Iraakse stad erg moeilijk heeft gemaakt. Cantlie interviewt ook verschillende bewoners die zich beklagen over hoe ze niet meer aan water en eten kunnen geraken doordat ze de rivier niet meer over kunnen.

Het is net als bij alle andere videos met Cantlie, moeilijk om op basis van de beelden in te schatten of hij de video’s onder dwang maakte en of de geïnterviewden al dan niet bedreigd werden.

Dit soort materiaal wordt dan kundig in de propaganda verwerkt om de gewelddadige ideologie verder te verdedigen.

‘Het laat hen toe om te zeggen: ‘kijk, dit is wat de gevolgen zijn van het complot van kruisvaarders, nusayri en zionisten tegen normale moslims die in Irak en Syrië leven’’, zegt Winter, verwijzend naar een beledigende term die jihadisten gebruiken voor de Alawieten, de religieuze groep waartoe de Syrische president Bashar al-Assad behoort.

‘Al die ‘slachtofferpropaganda’ wordt dan op zijn beurt weer gebruikt door IS om het meest brutale geweld te verantwoorden.’

De ideologen van het geweld

Geweld is altijd een element geweest van jihadistische propaganda, maar het werd een wereldwijd fenomeen in de jaren ’80 in Afghanistan. ‘Al-Qaeda speelde daarbij een belangrijke rol’, zegt de Nederlandse jihadisme-onderzoeker Pieter Nanninga van de Rijksubiversiteit Groningen.

De gewapende strijd van de moedjahedin tegen het Russische leger in die periode werd gesteund door de Saoedische terroristenleider Osama bin Laden en evolueerde al gauw naar gewelddadige aanvallen op burgers en Westerse belangen. De strategie veranderde fundamenteel.

De aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001 door bin Laden’s mondiale terreurnetwerk Al-Qaeda leken de moderne doctrine van jihadistisch geweld in te luiden, compleet met een verantwoording voor het doden van burgers in zelfmoordaanslagen over de hele wereld.

Die doctrine werd in de vroege jaren 2000 nog versterkt door een paar invloedrijke ideologen en propagandisten die geleidelijk de grens van de ‘aanvaardbaarheid’ van geweld verder opschoven.

Fady AlGhorra en Mahmoud Elsobky

Pieter Van Ostaeyen

De Belgische jihadisme-onderzoeker Pieter Van Ostaeyen noemt het invloedrijke online boek Management of Savagery, het “beheer van de beestachtigheid”. Dat pamflet van de geheimzinnige jihadistische ideoloog Abu Bakr Naji riep op tot een uitputtingsslag tegen de regimes in het Midden-Oosten en elders, met een lange en volgehouden campagne van ultra-gewelddadige aanvallen.

Bakr Naji, die volgens sommigen het alter ego was van één van Al-Qaeda’s propagandaleiders in Iran en Pakistan, riep ook tot geweld om aanvallen van Westerse legers uit te lokken en om lokale bevolkingsgroepen onder de duim te houden. Volgens sommige journalistieke bronnen, en zoals ook blijkt uit passages uit de magazines van IS, zijn de geschriften van Bakr Naji een directe inspiratie geweest voor de ideologie van IS.

Een andere ideoloog die vaak opduikt in propaganda, is de Jordaans-Palestijnse salafistisch-jihadistische prediker Abu Muhammad Al-Maqdisi, die geldt als de mentor van Abu Musab Al-Zarqawi, die op zijn beurt één van de sleutelfiguren was in Al-Qaeda in Irak (AQI), die een paar jaar geleden eerst in Islamitische Staat in Irak (ISI) muteerde, en uiteindelijk uitgroeide tot het ISIS, of IS, dat we vandaag kennen.

Al-Qaeda had al in de nasleep van 11 september al onthoofdingsvideo’s uitgebracht, maar Al-Zarqawi ‘ontwikkelde’ dat macabere ‘genre’ nog veel verder

Al-Zarqawi wordt vaak gezien als de man die het gebruik van extreem geweld in propaganda naar de mainstream bracht. Al-Qaeda had al in de nasleep van 11 september al onthoofdingsvideo’s uitgebracht, maar Zarqawi ‘ontwikkelde’ dat macabere ‘genre’ nog veel verder met een serie zeer gewelddadige onthoofdingsvideos in Irak in 2004, onder andere die waarin de Amerikaanse radio-ingenieur Nick Berg gedood wordt.

Al-Zarqawi’s gewelddadige campagne tegen Sjiitische rivalen en het Amerikaanse leger in Irak deed de rest. AQI groeide al gauw uit tot een veel gewelddadiger versie van de wereldwijde jihadistische beweging die bin Laden had uitgebouwd. Het gebruik van geweld veroorzaakte zelfs een breuk tussen Al-Qaeda en zijn opvolgers. Al blijft die breuk vooral een verbaal steekspel.

‘Al-Qaeda gaf altijd een lange theologische uitleg aan het feit dat ze geen burgers zouden treffen als die geen directe link hebben met het doel’, zegt Pieter Nanninga. ‘Die uitleg wordt door IS niet erkend.’

Fady AlGhorra en Mahmoud Elsobky

Pieter Nanninga

Aan de andere kant van de wereld, in de Verenigde Staten, droeg de Jemenitisch-Amerikaanse jihadistische ideoloog Anwar al-Awlaki bij tot een rush naar steeds meer geweld. Hij werd genoemd als invloed op de daders van een aantal jihadistische aanvallen in de vroege jaren 2000. Hij werd ook genoemd in het dossier van de bomaanslagen op de marathon van Boston in 2013, en in de massaschietpartij op de nachtclub Pulse in Orlando.

Duizenden video’s met preken van al-Awlaki waren tot voor kort vrij beschikbaar op YouTube. Tot dat platform een paar maanden geleden besloot om de meeste van die video’s te verwijderen.

IS voegde aan dat gewelddadige verhaal nog een utopische extra dimensie toe, die de jihadistische propaganda alweer naar een ander niveau tilde.

Heremietibis

In zijn hoogdagen in 2014 en 2015 schokte IS de wereld keer op keer met executievideo’s en ander gruwelijk materiaal waarin ze alles van schietpartijen tot seksuele slavernij toonden.

De oorlog in Syrië zorgde er voor dat de groep een bijna onuitputtelijke bron had van de meest afschuwelijke beelden van dode kinderen en burgers die in de recente geschiedenis gepubliceerd zijn. Die beelden werden dan gretig aan elkaar gemonteerd met beelden van soldaten en andere ‘vijanden’ die gedood worden. Dat was één van de manieren waarop IS er in slaagde om nooit geziene gruwel de wereld in te sturen.

‘De video’s bevatten een hele serie executies, alsof ze het Iraakse leger wilde tonen wat het te wachten stond. Die video deed bij wijze van spreken het hele Iraakse leger deserteren.’

Ander gewelddadig materiaal is te zien in de vele video’s die veldslagen tonen en waarmee IS zijn zogezegde militaire macht etaleerde. Een voorbeeld daarvan is de ‘Flames of War’-serie, die onder meer het offensief op Mosul toonde. ‘Die video’s bevatten een hele serie executies, alsof ze het Iraakse leger wilde tonen wat het te wachten stond’, zegt de Belgische jihadisme-onderzoeker Pieter Van Ostaeyen. ‘Die video deed bij wijze van spreken het hele Iraakse leger deserteren.’

In de vroege jaren van het “kalifaat” werden de grenzen van de propaganda nog verder verlegd en produceerde IS media die andere groepen nooit geproduceerd hadden. Het feit dat ze grondgebied onder hun controle hadden in Irak en Syrië was daarbij een erg belangrijke factor omdat het hen toeliet om een hele bibliotheek aan materiaal te produceren waarin een goed draaiende proto-staat getoond werd.

In onze online zoektocht vonden we tal van video’s waarin IS basisdiensten verleende aan de bevolking, zoals gezondheidszorg, infrastructuurwerken, landbouw en onderwijs. De propaganda toonde zelfs verkeersagenten in Raqqa en een eigen IS-munt.

Pieter Nanninga toonde ons een video van een Australische dokter die gewonden verzorgt in een ziekenhuis, met een oproep voor dokters en medisch personeel om naar het “kalifaat” te komen. Het logo van de IS-gezondheidsdienst was een aangepaste versie van het embleem van de Britse National Health Service (NHS), die veranderd werd in ‘INHS’.

Fady AlGhorra en Mahmoud Elsobky

 

Die drive om een utopische staat te tonen ging soms wel erg ver, wat soms tot surreële situaties leidde.

‘Een fotoreportage die in juli 2015 verscheen, toonde een milieubeschermingscentrum in Palmyra waar een heremietibis gehouden werd’, zegt Charlie Winter. ‘Dat is blijkbaar een van de zeldzaamste vogels in de wereld. Toen IS Palymra veroverde, ving het ook drie van die heremietibissen. Ze publiceerden foto’s waarin te zien was hoe die vogels verzorgd werden, hoe ze beschermd werden in het oosten van Syrië.’

‘Uiteraard was dat een beetje een vreemd geval, maar het is niet abnormaal dat dergelijke dingen verschenen als je naar het grotere plaatje kijkt. IS probeerde een ideaal beeld te schetsen van het leven in zijn “staat”’.

Al die idyllische propaganda — veel kinderen op speeltuigen — deed echter niets af aan de gruwel van het extreme geweld waarvan de propaganda van IS doordrongen is.

We wilden weten hoe het mogelijk is dat mensen ontvankelijk kunnen gemaakt worden voor dergelijke extreme content.

Fady AlGhorra en Mahmoud Elsobky

 

Dagelijkse haat, interne radicalisering

Het extreme geweld in jihadistische propaganda lijkt veel vooral jonge mannelijke kijkers niet af te schrikken. Velen vinden het duidelijk deel van de ideologie en het jihadistische verhaal.

‘Groepen zoals IS produceren verschillende media voor elk publiek dat ze willen bereiken’, zegt Nanninga. ‘In het algemeen kan je echter wel zeggen dat ze zich richten op jongeren, op jonge jongens, en op gezinnen, om zich achter het “kalifaat” te scharen.’

Sommige jongeren lijken meer ontvankelijk te worden voor de gewelddadige jihadistische narratieven wanneer ze veel nieuwscoverage uit het Midden-Oosten te zien krijgen. Er zijn studies die aantonen dat jonge mensen met een migratie-achtergrond en jonge mensen in de Arabische wereld veel meer nieuws via televisiekanalen uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika krijgen, die veel meer dan Westerse media focusen op de conflicten in de regio. Als je daar dan nog sociale media aan toevoegt, wordt het duidelijk hoe veel beelden van gebombardeerde oorlogsslachtoffers ze te zien krijgen.

De meer gruwelijke beelden worden dan gretig door de jihadisten in hun propaganda verwerkt.

‘Ze zijn in staat om IS als een beweging te zien die wraak neemt voor wat zij zien als decennia van geweld op moslims. Zij die in conflictgebieden in het Midden-Oosten wonen, maken een “interne radicalisering” mee doordat ze in hun dagelijkse leven met geweld geconfronteerd worden.’

De Belgisch-Palestijnse jihadexpert Montasser Al Deme’eh gaf een goed voorbeeld van die ‘gewenning’ uit zijn eigen ervaringen, die hem bijna in het extremisme duwden.

In het boek De Jihadkaravaan, dat hij samen met Pieter Stockmans schreef, beschrijft hij hoe hij zijn vader thuis regelmatig zeer kwaad zag worden bij het bekijken van televisiebeelden van Israëlisch geweld tegen Palestijnen. Hij noemde het zijn ‘dagelijkse haat’-sessies, naar het boek 1984 van George Orwell, waarin burgers gedwongen worden elke dag aan massabijeenkomsten deel te nemen waarin ze in een ritueel hun haat tegen vijanden van de autoritaire staat moesten uitschreeuwen.

Regelmatige dosissen van gruwelijke beelden van lijdende mensen lijkt alvast sommige jongeren met interesse in het Midden-Oosten meer ontvankelijk te maken voor het aanvaarden van extreem geweld als vergelding. In zijn boek beschrijft Al Deme’eh hoe hij een van Al-Zarqawi’s eerste onthoofdingsvideo’s bekeek. Hij beschrijft hoe misselijk het brutale geweld in de video hem maakte, maar dat tegelijk ook voelde dat eindelijk iemand wraak nam voor het geweld op burgers in het Midden-Oosten.

‘Misschien zijn gewelddadige beelden voor sommige van die jongeren meer normaal geworden’, zegt Nanninga. ‘Ze zijn in staat om IS als een beweging te zien die wraak neemt voor wat zij zien als decennia van geweld op moslims. Zij die in conflictgebieden in het Midden-Oosten wonen, maken een “interne radicalisering” mee doordat ze in hun dagelijkse leven met geweld geconfronteerd worden. Daardoor worden ze nog meer gewend aan geweld en worden ze misschien ook gevoeliger aan gewelddadige propaganda.’

Als dat geweld dan ook nog in een afgelikt format wordt aangeboden met een visuele stijl die doet denken aan videogames, Hollywood en cybercultuur, wordt het duidelijk hoe sommigen er in gezogen kunnen worden.

Ons team raakte echter nooit gewend aan het bekijken van al dat geweld.

 

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek.

© Fonds Pascal Decroos

 

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift