De woede van Trump, het succes van China en de twijfel van de EU

Zou een heel klein beetje deglobalisering soms niet beter kunnen zijn?

© Christine Roy (CC0)

 

Deglobalisering kan een kans zijn om een rechtvaardigere en stabielere wereldeconomie te bouwen. Alleen ontstaat de huidige deglobalisering uit een nationalistisch vijanddenken dat samenwerken aan een beter systeem en aan de grote uitdagingen van onze tijd juist bemoeilijkt.

Toen de term globalisering werd bedacht om het tijdperk na de Koude Oorlog te omschrijven, ving dat begrip meteen kritiek. Velen geloofden het riedeltje niet dat iedereen er bij zou winnen. De andersglobalisten benadrukten dat de ontwikkelingslanden niets te winnen hadden bij globalisering omdat ze niet klaar waren voor vrijhandel. In de zogenaamde Battle of Seattle belemmerden ontwikkelingsngo’s samen met Amerikaanse vakbondsmensen en milieuactivisten in 1999 de toegang tot de conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) omdat een globalisering zonder sociale, ecologische of fiscale afspraken volgens hen leidde tot sociale en ecologische achteruitgang.

Na de aanslagen van 11 september 2001 werd opgeroepen tot een nieuw wereldhandelsakkoord – om de brokken van de wereld te lijmen — maar een nieuw wereldhandelsakkoord kwam er nooit meer. Het sterk toegenomen aantal leden van de WTO – intussen 164 landen – geraakte het nooit meer eens over een verdere vrijmaking van de handel, temeer omdat de ontwikkelingslanden nu een grotere inbreng hadden dan in vroegere tijden toen Japan, de VS, de EU en Canada de organisatie domineerden.

Vanaf de eerste jaren van deze eeuw dook geregeld de bedenking op dat een globalisering die het aantal werknemers — dus het aanbod van arbeid in het kapitalisme — verdrievoudigd had, zou drukken op de prijs van arbeid, dus de lonen. Bovendien was kapitaal mobieler dan arbeid, en kon het makkelijk dreigen met verplaatsing naar plaatsen met minder belastingen, arbeidsregels en milieuregels.

Arbeid was veel minder mobiel, omdat migratie onder controle werd gehouden. Dat structurele machtsonevenwicht tussen arbeid en kapitaal in het tijdperk van de globalisering zou weldra in zowat alle landen af te lezen zijn aan het deel van nationaal inkomen dat naar arbeid en naar kapitaal zou gaan.

© Branko Milanovic

De olifant van Millanovic

Globalisering zou in nogal wat rijke landen leiden tot stagnatie van de lonen en banenverlies voor een belangrijk deel van de middenklasse. Een verschijnsel dat weergegeven werd door de zogenaamde olifant van Branko Milanovic (zie figuur) in zijn boek Global Inequality (2016) waarbij de middenklasse in de rijke landen – wiens inkomen stagneerde – als de verliezers van de globalisering naar voor kwamen. Voeg daarbij de migratie naar de rijke landen en je kreeg in het Noorden een mengsel waar nationalistische politici met enig succes zouden kunnen gaan werven tegen globalisering.

Globalisering zou in nogal wat rijke landen leiden tot stagnatie van de lonen en banenverlies voor een belangrijk deel van de middenklasse

Wat de UNCTAD (de VN-conferentie over Handel en Ontwikkeling) er in zijn jongste Trade and Development Rapport nog aan toevoegt, is dat ook in veel ontwikkelingslanden de ongelijkheid is toegenomen, en dat veel ontwikkelingslanden er niet in geslaagd zijn zich fundamenteel een sterkere positie te verwerven in de wereldeconomie. ‘De ontwikkelingslanden hebben lang geklaagd dat ongebreidelde vrijhandel hen pijn zou doen,’ zegt Richard Kozul-Wright, directeur van de afdeling globalisering en ontwikkelingsstrategieën bij de UNCTAD. ‘Nu zie je dat sommige rijke landen hetzelfde zeggen.’ 

Maar laat het ons meer in detail gaan onderzoeken. Wat heeft de globalisering dan echt betekend voor mensen en landen?

1. Globalisering bleek voor de westerse middenklasse een bittere pil

Eén ding is zeker. Het is geen toeval dat, net in de VS, een leider verkozen werd die zich zo duidelijk afzet tegen globalisering. De VS zijn wellicht het land met de duidelijkste verliezers en winnaars van de globalisering. ‘Het deel van het nationaal inkomen dat naar de 0,1 procent rijksten gaat, is verdrievoudigd van 3,3 procent in 1950 naar 10,3 procent in 2014. Het rijkste één procent zag zijn aandeel stijgen van 10,4 naar 21,2 procent,’ zo berekenden econoom Thomas Piketty en zijn collega’s. Daar tegenover staat dat de reële lonen van veel werknemers in de VS amper zijn gestegen sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Het is geen toeval dat net in de VS, een leider verkozen werd die zich zo duidelijk afzet tegen globalisering. Het is wellicht het land met de duidelijkste verliezers en winnaars van de globalisering

De ongelijkheid nam meer toe in de VS dan elders omdat Amerika de markt altijd meer heeft laten spelen. Toen desindustrialisering dreigde na het aantreden van president Reagan liet zijn regering dat – veel meer dan in Europa en Japan – gewoon gebeuren. Meer zelfs, het beleid in de VS versterkte de ongelijkheid nog, verklaart econoom Paul De Grauwe, professor aan de London School of Economics: ‘Globalisering zorgt voor meer groei van de economie, maar dat grotere inkomen wordt niet onder iedereen verdeeld. Als de overheid dat niet herverdeelt, blijven sommigen verarmd achter. In de VS gebeurde zelfs het omgekeerde: belastinghervormingen hebben de rijken nog veel rijker gemaakt’.

In 2016 schreef de Amerikaanse politicoloog Larry Bartels in zijn klassieker Unequal Democracy dat ‘technologische verandering en globalisering niet tot de schrijnende ongelijkheid in economische kansen moet leiden die we in de VS zagen de voorbije decennia. Regeringsbeleid kan ervoor zorgen dat de voordelen beter worden verdeeld. […] De VS hebben gewoon veel minder gedaan om de ongelijkheid van de marktinkomens te verzachten.’ In dat boek maakt Bartels duidelijk dat het systematisch de Republikeinse presidenten waren die, middels de belastinghervormingen, de rijken rijker maakten. Trump is overigens wat dat betreft geen uitzondering.

‘De vijf procent rijkste Amerikanen waren in 2013 rijker dan in 2003. Het mediaan huishouden zag zijn vermogen in diezelfde periode met liefst 36 procent krimpen, zelfs twintig procent lager dan in 1984’

In 2008 vergrootte de financiële crisis de ongelijkheid in de VS nog massaal. De top één procent nam 95 procent van alle inkomensgroei tussen 2009 en 2012 voor zijn rekening. ‘Maar het meest schokkende effect van de crisis werd veel minder besproken: de massieve ineenstorting van het vermogen van de gewone Amerikanen’, onderstreept Bartels. ‘De vijf procent rijkste Amerikanen waren in 2013 rijker dan in 2003. Het mediaan huishouden zag zijn vermogen in diezelfde periode met liefst 36 procent krimpen. Hun vermogen lag zelfs twintig procent lager dan in 1984. Het armste kwart van de bevolking zag zijn vermogen halveren door de crisis.’

De verklaring is dat de overheid niet echt geprobeerde de uitzettingen uit woningen te voorkomen terwijl ze de banken wel redde. Met haar monetair beleid vuurde ze massaal de beurskoersen aan terwijl het vermogen van de rijkste mensen vooral uit aandelen bestaat. Het is dat banenverlies en de stagnatie van inkomens en vermogen van een deel van de Amerikaanse middenklasse die Trump aan de macht heeft gebracht met een mandaat om banen terug te brengen door de globalisering te veranderen.

China werd wél beter van de globalisering. En dat wringt

Een tweede reden waarom de VS zich tegenwoordig afzetten tegen de globalisering is de opkomst van China. De vaststelling is dat de Aziatische reus erin slaagde om veel beter te worden van de globalisering. De Chinese economie is dramatisch gegroeid, veel meer dan die van de VS en de EU, en sinds het aantreden van Xi gedraagt het land zich politiek ook meer en meer als een grootmacht, vooral in Azië en de Stille Oceaan. De VS hebben het daar kennelijk moeilijk mee. De regering Trump trekt uit de gang van zaken de conclusie dat de globalisering dus geen goeie zaak voor hen kan zijn. Vooral het handelstekort met China wordt gezien als een symbool van de onaanvaardbaarheid van deze globalisering.

De EU en de globalisering

In de EU heeft de kritiek op de globalisering nog niet de bestuurlijke elites bereikt. Eén reden is dat belastingen en sociale bescherming in de lidstaten veel meer inkomens herverdelen dan in de VS. De EU heeft bovendien een handelsoverschot met de rest van de wereld dat vooral te danken is aan de Duitse en Nederlandse overschotten.

België wist de welvaartsstaat de inkomensongelijkheid binnen de perken te houden. Sterke vakbonden zorgden ervoor dat belangen van de middenklasse beschermd bleven, dankzij hoge minimumlonen, de indexatie van de lonen en sterke CAO’s

België hoort zeker bij de groep landen waar de welvaartsstaat de inkomensongelijkheid binnen de perken wist te houden. De sterke vakbonden zorgden ervoor dat de belangen van de middenklasse beschermd bleven dankzij hoge minimumlonen, de indexatie van de lonen en sterke CAO’s die in ons land kracht van wet hebben.

Dat belet niet dat zelfs in 2007 in België al verliezers van de globalisering bestonden. Zo toonde ik destijds in het boek ‘De stille dood van het neoliberalisme’ aan dat een deel van de bevolking na aftrek van hun woonkosten minder verdienden dan in 1984. Toen ik de eminente sociaaldemocratische politicus Frank Vandenbroucke daarmee confronteerden, ontkende hij dat niet, maar weigerde hij afstand te nemen van globalisering: ‘Voor je het weet, beland je in een xenofoob discours.’ Vraag is natuurlijk wat er gebeurt als sociaaldemocraten de gevolgen van globalisering niet kritisch bejegenen: openen ze dan niet de deur voor xenofobe partijen?

Het monetair beleid zorgde in de EU, net als in de VS, voor hoge aandelenkoersen (goed voor de hogere inkomens die vooral daarin beleggen) en lage rentes op de spaarboekjes (de spaarvorm bij uitstek van de lagere inkomens). Bovendien maakte de eurocrisis duidelijk dat de Noord-Europese landen veel beter werden van de Europese aanpak van de crisis dan de Zuid-Europese landen. Dat zorgde, samen met de aanhoudende migratie, ervoor dat in de EU de kritiek zich eerder richt op de EU, als vorm van hyperglobalisering met meer regels, dan op de globalisering.

De Brexit is daar het meest uitgesproken voorbeeld van. Het effect is evenwel hetzelfde: de bereidheid tot internationale samenwerking wordt erdoor aangetast. En dat is spijtig in een wereld die kampt met globale uitdagingen – klimaatverandering is het meest evidente voorbeeld — die vragen om globale samenwerking.

2. Quid de ontwikkelingslanden? China is veeleer de uitzondering

Zijn de ontwikkelingslanden tevreden over de globalisering? Het beeld is verdeeld. Veel ontwikkelingslanden kenden een relatief hoge groei de voorbije twee decennia. Er was sprake van een zekere ‘convergentie’, het enigszins naar elkaar toe groeien van de inkomens in rijke en arme landen. Toch vraagt de UNCTAD, de VN-conferentie voor handel en ontwikkeling, zich in zijn Trade and Development Report van 2018 luidop af of de meeste ontwikkelingslanden wel zoveel beter werden van hun opname in de globale economie.

© James Coleman (CC0)

 

Voor heel wat ontwikkelingslanden bleef die groei immers sterk afhankelijk van de grondstoffenprijzen. Slechts een klein aantal, meestal grote ontwikkelingslanden, slaagde erin zich structureel te veranderen tot producent en exporteur van industriegoederen en diensten. En van de ontwikkelingslanden die erin slaagden industriegoederen uit te voeren, was het aantal dat er tussen 2000 en 2014 in slaagde meer toegevoegde waarde in eigen land te houden, nog kleiner. China springt er echt uit, op enige afstand gevolgd door de Filipijnen, Indonesië, Argentinië, Vietnam, Turkije en Mexico.

In de meeste ontwikkelingslanden zit de onderhandelingsmacht aan de kant van de grote bedrijven. Ze dwongen minder arbeidsregels, minder belastingen, minder milieuregels af, waardoor de ontwikkelingslanden geen structurele vooruitgang hebben kunnen realiseren.

Bovendien stelt de UNCTAD dat de globalisering ook in ontwikkelingslanden heeft bijgedragen tot meer binnenlandse ongelijkheid. Bijna nergens, behalve in China, nam het deel dat naar lonen gaat, toe. De Chinese uitzondering was niet zozeer te wijten aan de hoge Chinese lonen, maar aan de sterke toename van het aantal industriearbeiders.

Dat een kleiner deel van de nationale koek naar arbeidsinkomens gaat, is volgens de UNCTAD te wijten aan de sterke machtspositie van de grootste multinationale ondernemingen. Die danken ze dan weer aan de toegenomen concentratie in vele sectoren: de grootste bedrijven nemen een steeds groter deel van de markt voor zich. De tien grootste uitvoerders zijn, gemiddeld over alle landen heen, goed voor 42 procent van de totale nationale uitvoer. Die concentratie komt de winst en dus de macht van de grote ondernemingen ten goede.

In de meeste ontwikkelingslanden – China is de grote uitzondering — zit de onderhandelingsmacht aan de kant van de grote bedrijven. Ze dwongen gunstige voorwaarden af – minder arbeidsregels, minder belastingen, minder milieuregels — waardoor de ontwikkelingslanden niet per se een structurele vooruitgang hebben kunnen realiseren.

Geen vrijhandel, wél industrieel beleid

De UNCTAD besluit daaruit dat vrijhandel niet volstaat om ontwikkelingslanden fundamenteel vooruit te helpen: landen moeten een industrieel beleid voeren. Kennelijk vindt dat denken ook meer en meer ingang. De UNCTAD stelde vast dat alleen al de voorbije vijf jaar liefst 84 landen – samen goed voor negentig procent van de wereldeconomie – industriële ontwikkelingsstrategieën aannamen. Een record, noteert de UNCTAD, en het betekent een duidelijk afstand nemen van het neoliberale geloof dat het volstaat om de markt te laten werken.
Voor de UNCTAD geldt China als het voorbeeld van een land dat er in geslaagd is op een verstandige manier in te spelen op de globalisering.

‘China’s succes steunt op zijn vermogen om beleidsruimte te eisen en handel te gebruiken als een hefboom door middel van industrieel beleid gericht op het verhogen van de lokale toegevoegde waarde’

Volgens de UNCTAD steunt China’s succes op zijn vermogen om beleidsruimte te eisen en handel te gebruiken als een hefboom door middel van industrieel beleid gericht op het verhogen van de lokale toegevoegde waarde. Het succes hing ook af van de capaciteit van de Chinese overheden om onafhankelijke financieringsmechanismen te ontwikkelen en controle te verwerven over buitenlandse activa. Die twee laatste worden door de rijke landen ervaren als een bedreiging van hun belangen’, stelt het Trade and Development Rapport 2018 van de UNCTAD. 

China staat in die sterke positie omdat het over een grote markt beschikt waar zowat alle bedrijven toegang tot willen: in ruil voor die markttoegang kan het bijvoorbeeld eisen dat het toegang krijgt tot moderne technologie van de betrokken bedrijven. De UNCTAD noemt dat verstandig beleid. Dat is echter absoluut niet hoe de huidige Amerikaanse regering het ziet.

3. Hoe de VS globalisering willen veranderen

De Amerikaanse regering wil de wereld die China rijk heeft gemaakt, drastisch overhoop gooien. Het meest in het oog springen Trumps invoertarieven, het belasten van de toegang tot de Amerikaanse markt. Het begon met tarieven op Chinese wasmachines en zonnepanelen, ging verder naar aluminium en staal, en intussen wordt al de helft van de Chinese invoer belast. De getroffen landen troffen daarbij telkens ook vergeldingsmaatregelen.

Alles bij elkaar worden nog maar enkele procenten van de totale wereldhandel door invoertarieven getroffen, maar als de escalatie verdergaat, zal het effect snel toenemen. Toen Trump dreigde met invoerheffingen op Europese wagens werden de Europeanen zenuwachtig. Europees Commissievoorzitter Juncker wist dit te voorkomen door nieuw overleg over vrijmaking van handel op tafel te leggen en te beloven om schaliegas te kopen bij de Amerikanen – waarvoor overigens nog geen vergunning is gegeven in de VS. Intussen dreigt dat overleg weer te stokken. Overigens blijft de regering Trump erg kritisch staan ten aanzien van de EU en vooral Duitsland omwille van zijn handelsoverschotten. Europees Handelscommissaris Cecilia Malmström verklaarde onlangs dat de indruk ontstaat dat de VS de globale productieketens wil breken en de productie opnieuw in Noord-Amerika wil concentreren.

© Andrew Neel (CC0)

 

Zeker omdat in China elk kind op school leert dat zijn land een eeuw van vernedering heeft ondergaan en dat president Xi nu China weer naar een tijd van grote bloei zal brengen. Toegeven aan de eisen van Trump hoort niet bij dat discours – vooral niet omdat Trump de gewoonte heeft elk akkoord als zijn overwinning te benoemen.De regering Trump wil de globalisering veranderen.

De VS willen niet langer handelsakkoorden afsluiten via de WTO maar via bilaterale akkoorden. Zo hebben ze zo goed als altijd een machtsoverwicht

Daarom willen ze niet langer handelsakkoorden afsluiten via de WTO of met groepen van landen, maar via bilaterale akkoorden, van land tot land. In dergelijke onderhandelingen hebben de VS bijna altijd een machtsoverwicht omdat de andere partner meer afhangt van de Amerikaanse markt dan omgekeerd. Zo kunnen ze toegevingen doordrukken. Zo konden de VS aanpassingen aan het NAFTA-akkoord doordrukken door apart te onderhandelen met Mexico en Canada. Alleen met de ongeveer even grote economieën van China en de EU zijn de machtsverhoudingen min of meer gelijk op handelsvlak en zullen de VS moeilijker hun zin kunnen opleggen.

De EU nam op haar beurt vergeldingsmaatregelen tegen de Amerikaanse invoertarieven, maar gaf toch toe door over meer vrijhandel te willen praten terwijl de VS het klimaatverdrag van Parijs opzegden. Nochtans nam de EU zich voor geen nieuwe handelsakkoorden te sluiten met landen die Parijs niet naleven. Dat lijkt een teken van slapte. En waarom zou je tegenover China niet opwerpen dat het vreemd is dat werknemers niet het recht hebben zich te verenigen?

Een rechtstreekse aanval op de WTO

Een derde front is de aanval van de VS op de werking van de WTO. Sinds het aantreden van Trump weigeren de VS nog nieuwe rechters te benoemen in het beroepshof, de zogenaamde Appelate Body, van de WTO. Dat hof bestaat bij elke te behandelen klacht uit drie rechters uit drie verschillende landen. Het velt bindende oordelen over handelsgeschillen. Normaal worden de driekoppige panels gekozen uit een pool van zeven beroepsrechters maar door de weigering van de VS bestaat die pool nog maar uit drie rechters.

Een insider vertelt: ‘Dat is echt het baarlijke minimum om nog te functioneren en het vertraagt sowieso de werking. Maar eind 2019 is er nog slechts één rechter. Dan kan de Appelate Body absoluut niet meer werken.’ Bijkomend probleem is dat de VS niet aanvaarden dat de rechters wiens termijn is afgelopen de zaken afwerken waar ze aan werkten voor hun termijn verviel. Daardoor moeten de drie overblijvende rechters de last van alle zaken op zich nemen. Een zware werklast, mede dankzij de VS, die ondanks hun discours dit jaar alleen al zeven zaken inspanden bij de WTO.

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, mag je gratis naar al onze events en kan je in dialoog gaan met onze journalisten. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

De Europeanen en Chinezen hebben alle Amerikaanse invoertarieven op hun producten aangeklaagd. Ze denken dat de invoertarieven op basis van vage gronden van nationale veiligheid volgens de WTO illegaal zijn. Het Appelate Body moet zich daarnaast nog uitspreken over de gevoelige kwestie of China wel een markteconomie is. ‘Dit zijn gevoelige kwesties waar zoveel van afhangt, dat je je afvraagt of een panel van drie rechters dat eigenlijk wel kan beslissen, en of de politiek het hier niet moet overnemen’, stelt een Europese diplomaat.

De Amerikanen verklaarden dat ze betreuren dat ze China ooit toelieten tot de WTO en dat ze het probleem met China niet via de WTO kunnen oplossen. ‘De Amerikaanse handelsgezant, Bob Lighthizer, zei ons onlangs dat hij perfect met de WTO kan leven als de Appelate Body stopt met werken, en China niet langer als een ontwikkelingsland wordt gezien’, vertelt een diplomaat op het hoofdkwartier van de WTO.

Als het beroepsorgaan niet meer kan werken, verliezen de uitspraken van de WTO hun bindende karakter en wordt het makkelijker voor landen om ze naast zich neer te leggen. De ironie is dat het in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw net de Amerikanen waren die aandrongen op het instellen van zo’n beroepsorgaan omdat de Europeanen de uitspraken van de voorganger van de WTO, de GATT te makkelijk naast zich neer legden. Nu zijn het de Europeanen die, bij monde van Europees Commissaris voor Handel Cecilia Malmström, aanklagen dat de VS aansturen op de ineenstorting van de WTO.

Als het beroepsorgaan van het WTO niet meer kan werken, betekent het dat we naar een meer onvoorspelbare wereld gaan die de internationale handel en investeringen zal bemoeilijken

Intussen formuleerde de Europese Commissie, om enigszins tegemoet te komen aan de Amerikaanse kritiek, een ontwerp van hervormingsvoorstellen voor de WTO. Daarin noemt ze de Appelate Body ‘het meest effectieve en ontwikkelde mechanisme om geschillen te regelen van alle internationale organisaties. […] Als het wordt verlamd, wordt het doen naleven van de handelsregels onmogelijk. […] We gaan dan terug naar een handelsomgeving waarin de regels enkel nog worden toegepast als het uitkomt, en waar macht regels vervangt als de basis voor handelsrelaties’.

Het betekent hoe dan ook dat we naar een meer onvoorspelbare wereld gaan waarin bedrijven niet weten hoe makkelijk of moeilijk ze morgen nog toegang hebben tot andere markten. Dat zal uiteraard de internationale handel en investeringen bemoeilijken. Allerlei landen nemen allerlei initiatieven – het WTO-secretariaat zelf is relatief zwak – maar of de crisis van de instelling kan worden afgewend is onzeker.

Hoe terecht is de kritiek op China?

De Europeanen kunnen de Amerikanen wél vinden inzake twee andere punten van kritiek op China. Zo vinden ze dat de WTO over onvoldoende instrumenten beschikt om te beletten dat bedrijven worden gedwongen om hun technologie af te staan door hen bijvoorbeeld te verplichten om een joint venture aan te gaan met een Chinees (staats)bedrijf. Amerikaanse bedrijven zijn daar overigens zelf heel dubbel in. ‘Tijdens een sessie met Amerikaanse bedrijven bleken sommigen bereid hun technologie aan China af te staan als ze daar “pretty decent money” konden maken,’ zegt een bron die liever anoniem blijft.

Paul De Grauwe vindt dat de Chinese houding er anders uitziet als je het historisch bekijkt: ‘Ze hebben zeker technologie gestolen maar wij hebben dat natuurlijk ook gedaan tijdens onze ontwikkeling’. Het is geen toeval dat Lieven Bauwens die in de 19de eeuw de Engelse textielwerktuigen naar Vlaanderen smokkelde, een standbeeld heeft in Gent.

Chris Morel, die vanaf de jaren tachtig de joint venture Shanghai Bell leidde in China, zei het zo: ‘Ik heb een olifant helpen scheppen die de aandeelhouders bakken geld opbrengt, maar die wel het werk van mijn kleinkinderen afpakt’

Het strategische belang van het vaderland of de belangen van de eigen arbeiders bleken voor veel bedrijven ondergeschikt aan de belangen van de aandeelhouders. De Belg Chris Morel, vader van de overleden Vlaams Belangpolitica Marie-Rose Morel, die vanaf de jaren tachtig de joint venture Shanghai Bell leidde in China, zei het in 2004 zo: ‘Ik heb daar een olifant helpen scheppen die de aandeelhouders bakken geld opbrengt, maar die wel het werk van mijn kleinkinderen afpakt.’

Ook inzake subsidies vinden de Europeanen dat de WTO krachtiger moet kunnen optreden: het moet duidelijker zijn wanneer er sprake is van een subsidie en wanneer niet. China wordt verweten dat het onvoldoende, zoals nochtans verplicht is, laat weten op welke manier het welke bedrijven ondersteunt.

Of die initiatieven zullen volstaan om de onenigheid met China op te lossen, is twijfelachtig. De hele discussie is er immers ook een over ideologie en het recht van landen om er een eigen model op na te houden:

Heeft China zich onheus gedragen? Dat is zeker niet het oordeel van de UNCTAD zoals we eerder zagen. Kozul-Wright vindt dat het land gewoon de technieken heeft gebruikt die de rijke landen ooit zelf gebruikten.

Klopt het verwijt dat Chinese staatsbanken goedkoop krediet verlenen aan bedrijven in functie van bepaalde overheidsdoelen? Ja, dat klopt zeker maar de meeste westerse landen hebben tijdens de neoliberale golf hun staatsbanken verkocht. Dat was een ideologische keuze om de staat zijn werkingsinstrumenten af te nemen vanuit het idee dat een staat toch geen nuttige economische interventies kan doen.

Kunnen wij van China eisen hetzelfde te doen? Dat wordt heel moeilijk want in de Chinese grondwet staat letterlijk dat staatsbedrijven een leidende rol in de economie hebben te spelen.

Ons ontwikkelingsmodel leek tussen 1945 en 1970 nogal op het Chinese: overheidsbanken, staatsbedrijven op tal van terreinen, financiële repressie, industrieel beleid… Dat wij dat in de neoliberale golf overboord gooiden, betekent niet dat China dat ook moet doen

Overigens leek ons ontwikkelingsmodel tussen 1945 en 1970 nogal op het Chinese: overheidsbanken, staatsbedrijven op tal van terreinen, financiële repressie, industrieel beleid, … Dat wij die in de neoliberale golf overboord gooiden, betekent niet dat zij dat ook moeten doen. Ook niet dat een land dat dit niet doet, oneerlijk bezig is.

Misschien is het wel tijd om ons eigen model eens tegen het licht te houden, vindt professor Paul De Grauwe: ‘Ook bij ons is een ander beleid nodig met een grotere rol voor publieke investeringen. Kijk alleen nog maar naar onze Brusselse tunnels die er zo deerlijk aan toe zijn.’ Ook grote uitdagingen zoals de klimaatverandering en de woonproblematiek vereisen overheidsinvesteringen.

4. Hoe moet het nu verder?

Deglobalisering op zich is geen probleem. Na de tweede wereldoorlog kenden heel wat landen grote economische bloei in een regime met veel minder globalisering. Kapitaalverkeer was veel minder vrij. De handel bleef beperkt tot industriegoederen. De handel in landbouwgoederen en diensten werd amper vrijgemaakt. De natiestaten hadden veel meer ruimte om hun eigen oplossingen voor problemen te realiseren. Niets belet om opnieuw in die richting te gaan. Alleen horen we die aanpak voorlopig vooral verdedigen door extreme partijen en politici.

© Ruthie (CC0)

 

‘Ook bij ons is een ander beleid nodig met een grotere rol voor publieke investeringen. Kijk alleen nog maar naar onze Brusselse tunnels die er zo deerlijk aan toe zijn.’

Dat is nochtans de route die bijvoorbeeld professor Dani Rodrik van de Harvard universiteit verkiest. Hij pleit al jaren voor minder globalisering omdat hij ervan overtuigd is dat te veel globalisering en te veel Europese integratie – zonder regels op dat niveau – de lokale sociale contracten en tradities onder druk hebben gezet, en zo leidden tot minder gelijkheid. Dat leidde tot woede en frustratie en zo tot Trump, Brexit en Europese populisten. Die zetten zich luidop af tegen globalisering, Europese integratie, en migratie.

Minder globalisering is, zoals gezegd, allesbehalve een ramp. Maar door het feit dat weinig mainstreampartijen het verdedigen en het vooral uit extreme hoek komt, betekent dat het gebeurt in een context van vijanddenken. Zo kan het een spiraal in gang zetten van vergeldingsmaatregelen die leiden tot minder groei, en meer werkloosheid. Als dat gebeurt, is het voor nationalistische leiders een koud kunstje om het vijanddenken nog verder op te poken. De eensgezindheid van de nationalistische internationale om de globalisering en de Europese integratie af te breken, kan dan snel omslaan in echt vijanddenken, xenofobie, enzovoort. Nu al zien we aanzetten tot meer bewapening.

Een alternatief spoor door mainstreampartijen

Maar het zou dus op een andere manier kunnen als mainstreampartijen de neoliberale orthodoxie in vraag durven stellen en van deglobalisering hun beleid durven maken, op een rustige en overlegde manier.

Globalisering ja, maar er moet ruimte komen voor handelsakkoorden die meer oog hebben voor sociale prioriteiten in plaats van voor de eisen van het kapitaal

Het alternatieve spoor was altijd om voor meer sociale, fiscale en milieuregels te zorgen op globaal en Europees niveau. Dat is het soort globale New Deal die de UNCTAD bepleit: globalisering ja, maar met een grote focus op tewerkstelling, een verbetering van de arbeidsvoorwaarden en de lonen die stijgen naarmate de productiviteit toeneemt. Er moet ruimte komen voor handelsakkoorden die meer oog hebben voor sociale prioriteiten in plaats van voor de eisen van het kapitaal, aldus nog de UNCTAD.

Dat vergt een grote bereidheid tot samenwerking die in het huidige klimaat moeilijk denkbaar is. Zelfs de eurogroep slaagt er moeilijk in de monetaire eenwording gepaard te laten gaan met fiscale en sociale harmonisering.

In dit klimaat is het makkelijker om deglobalisering te organiseren en Europa af te breken. Dat is wat nu bezig is, maar we weten niet waar het toe zal leiden omdat mainstream partijen het niet over nemen. Als je extremistische politiek wil voorkomen, moet je globalisering (en Europese integratie) bijsturen.

Het drama is dat de mensheid intussen geconfronteerd wordt met misschien wel de grootste uitdaging in haar geschiedenis: klimaatverandering en meer algemeen een verloedering van het milieu waaraan ze is ontsproten. Om die problemen aan te pakken, moeten we juist meer samenwerken. Dat is moeilijker haalbaar in het huidige nationalistische klimaat.

De noodzaak om samen te werken, verplicht ons de vragen die we zouden moeten stellen, voorzichtig te stellen. Waarom zou de EU op de knieën gaan voor de VS door met hen te praten over meer vrijhandel terwijl ze zich voornamen niet te werken aan nieuwe handelsakkoorden met landen die het verdrag van Parijs niet naleven? Is het opzeggen van het klimaatverdrag niet een soort van crimineel gedrag nu we weten welke dramatische gevolgen klimaatverandering zal hebben? Waarom zou de EU blijven zwijgen over het feit dat wellicht drie miljoen Oeigoeren door de Chinese staat in zogenaamde heropvoedingsgestichten zijn opgesloten de voorbije twee jaar? Waarom zou de EU aanvaarden dat zijn werknemers moeten concurreren met landen waar geen vakbondsvrijheid bestaat (lees China)?

Antwoord op al die vragen: omdat de EU geen sterk leger heeft en daardoor gedwongen is altijd met twee woorden te spreken. En twee: als we daar te hard op doorgaan, dreigt de zo nodige internationale samenwerking daaronder te lijden. Het is dus een voorzichtig laveren om verschillende objectieven te verzoenen: de interne samenhang in onze samenleving behouden door de globalisering bij te sturen, en de internationale samenwerking overeind houden om globale uitdagingen gezamenlijk te kunnen aanpakken.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur