Het ambivalente succes van de Europese landbouw

‘Er verdwijnen driehonderd boeren per dag in de EU’

© Panos Pictures / Kacper Kowalski

De EU is ‘s werelds grootste uitvoerder van landbouwproducten met een exportwaarde van 129 miljard euro in 2015, 16 miljard meer dan wat we invoerden. (Graanveld en klaverveld in Pommeren, Polen)

Dat de Europese landbouw zonder problemen de eigen bevolking kan voeden, weten we al van de tijd dat ons continent te maken had met boterbergen en melkplassen. Sindsdien is het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) dat leidde tot die overproductie – met vaste richtprijzen per eenheid product – bijgestuurd, maar toch is Europa meer dan zelfvoorzienend gebleven. Dat blijkt uit de handelsbalans: de EU is ’s werelds grootste uitvoerder van landbouwproducten met een exportwaarde van 129 miljard euro in 2015, 16 miljard euro meer dan wat we invoerden.

Het blijkt ook uit het feit dat de EU in 2016, net als de jaren daarvoor, meer dan driehonderd miljoen ton granen produceerde. Dat is elf procent van de wereldproductie, ruim meer dan het aandeel van de EU in de wereldbevolking (minder dan 7%). De EU voert dan ook vijftien procent van haar graanproductie uit naar vooral de Arabische wereld.

De EU voert ook meer dan drie miljoen ton varkensvlees uit, een zevende van de totale productie. Die gigantische vleesuitvoer wordt mogelijk gemaakt door de jaarlijkse invoer van zo’n 80 miljoen ton (waarde meer dan acht miljard euro) veevoer, vooral soja, uit Brazilië en Argentinië. Verder voert Europa vooral tropisch fruit, koffie en palmolie in – producten die moeilijk of niet gedijen in het Europese klimaat. Andere belangrijke landbouwexportproducten zijn wijnen en geestrijke dranken – denk aan whisky of cognac. De EU produceert tevens drie kwart van ’s werelds olijfolie, oogstte in 2016 liefst 64 miljoen ton aan groenten en 36 miljoen ton fruit (de 23 miljoen ton druiven zijn daarin niet meegeteld).

Historisch gezien zijn het verhogen van de productiviteit van de landbouw, het veiligstellen van de bevoorrading, redelijke prijzen voor de verbruikers en het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de boeren de doelstellingen van het GLB: ze worden zelfs letterlijk in het Europese Verdrag genoemd. De eerste drie lijken zeker gerealiseerd, maar hoe zit het met het inkomen van de boeren? Worden zij die zo overvloedig produceren er beter van?

De toestand van de boeren

De EU telt nog steeds tien miljoen landbouwers (van wie liefst 3,5 miljoen in de nieuwste lidstaten Roemenië en Bulgarije, vijfmaal zoveel als de VS. Gezinslandbouw doet het bij ons dus beter dan over de plas. Dat heeft met die andere geschiedenis te maken: de Europese landbouw is de erfgenaam van een tijd dat de meeste Europeanen boeren waren (en niet van een kolonisering, zoals in de Amerika’s en Australië).

In het huidige EU-landbouwbeleid krijgen Vlaamse boeren elk jaar direct 255 miljoen en indirect 120 miljoen euro steun.

Verder is er het GLB, dat sinds zijn aanvang in 1962 een groot deel van de Europese begroting heeft gereserveerd voor de Europese boeren. Met het huidige GLB gaat er elk jaar 60 miljard euro naar Europese boeren: 45 miljard euro aan directe betalingen en 15 miljard euro voor zogenaamde plattelandsontwikkeling. Voor Vlaanderen vertaalt zich dat in 255 miljoen euro aan zogenaamde directe betalingen en 120 miljoen euro voor plattelandsontwikkeling.

François Huyghe van de Boerenbond legt uit: ‘Gemiddeld levert het GLB 37 procent van het landbouwinkomen in Vlaanderen. Voor varkensboeren en siertelers is er geen steun, voor akkerbouwers en rundveehouders is het veel meer dan 37 procent. De directe steun komt neer op 278 euro per hectare voor akkerbouwers en melkveehouders. De rundveehouders ontvangen 280 euro per rund.’ Het Vlaamse landbouwrapport van 2014 bevestigt de grote verschillen tussen de sectoren: in Vlaanderen halen rundveeboeren 96 procent van hun inkomen uit subsidies, de sierteelt en de glastuinbouw doen het zonder Europese steun.

Dat alles neemt niet weg dat er in de EU steeds minder boeren zijn. Momenteel telt Vlaanderen 24.000 boerenbedrijven en daarvan verdwijnen er jaarlijks twee procent. ‘De meeste van die stoppers gaan gewoon met pensioen, maar ze worden dus onvoldoende vervangen door jongeren’, verklaart Huyghe. Europees parlementslid voor Groen Bart Staes ziet dat het op Europees niveau minstens even hard gaat: ‘Er verdwijnen driehonderd boeren per dag in de EU.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Eerlijke concurrentie

Het grote boerensterven gaat dus onverminderd door. De individuele boer blijft gekneld zitten in een moeilijke marktsituatie waar hij aan weerskanten – als koper, én als verkoper van zijn producten – een “prijsnemer” is, wat wil zeggen dat hij of zij de prijzen moet ondergaan. Joris Relaes, administrateur-generaal van het Instituut voor Landbouw, Visserij en Voedingsonderzoek(ILVO): ‘Zaden en bestrijdingsmiddelen moeten boeren kopen van enkele grote multinationale bedrijven die meer marktmacht hebben omdat ze met zo weinigen zijn. Als boeren hun producten verkopen, komen ze dan weer meestal tegenover enkele supermarktketens te staan die hen lage prijzen kunnen opleggen.’

De individuele boer blijft én als koper, én als verkoper een “prijsnemer”: aan beide zijden moet hij of zij de prijzen ondergaan.

Daar komt nog bij dat de Europese landbouwers nu, sinds meer dan twintig jaar blootstaan aan de druk van de wereldmarkt. Dat betekent dat onze boeren even efficiënt moeten zijn als hun collega’s elders in de wereld. Dat alles samen zet boeren onder druk om aan schaalvergroting en intensivering te doen zodat ze grotere hoeveelheden kunnen produceren tegen een lagere prijs. Dat verklaart waarom boeren, als de markt tegen zit, soms gedwongen worden om te verkopen onder de productiekosten. Is het die kwetsbare marktpositie die verklaart waarom grote bedrijven de landbouw zelf liever overlaten aan gezinslandbouwers?

Hebben Europese boeren het vaak moeilijk, toch is hun situatie beter dan die in veel andere landen, omdat de EU de landbouw nog steeds ondersteunt. De directe betalingen helpen om de schommelingen in de marktprijzen op te vangen en stabiliseren het boereninkomen.

Een andere vraag is of die steun aan de Europese boeren de eerlijke concurrentie of het gelijke speelveld met de boeren uit de ontwikkelingslanden niet verstoort. Dat was zeker de kritiek toen de EU nog volop gebruik maakte van productgebonden subsidies en exportsubsidies waarmee in het buitenland onder de productiekosten kon worden verkocht. De huidige steun wordt door de Wereldhandelsorganisatie als minder marktverstorend gezien. Thierry Kesteloot van Oxfam-Solidariteit blijft kritisch: ‘Enerzijds wil onze landbouw concurreren op de wereldmarkt. Anderzijds delen we directe inkomenssteun uit aan onze boeren. Om een instorting van haar graan-, melk- en vleesprijzen te voorkomen, moet de EU haar export koste wat kost uitbreiden, dikwijls ten koste van de boeren uit het Zuiden en met prijzen onder de productiekosten.’

© Panos Pictures / Kacper Kowalski

Thierry Kesteloot: ‘Om een ineenstorting van graan-, meel- en vleesprijzen te voorkomen, moet de EU haar export koste wat kost uitbreiden, dikwijls ten koste van de boeren uit het Zuiden en met prijzen onder productiekosten.’ (tractor in een veld in Pommeren, Polen)

Onmisbaar ecologisch draagvlak

Maar de landbouw wordt niet enkel gedragen door de boeren en hun kapitaal. Marjolein Visser, hoogleraar in de agro-ecologie aan de ULB, wijst er met grote gedrevenheid op dat landbouwproductie niet enkel steunt op het sociale en menselijke kapitaal van boerengemeenschappen, en hun fysieke en financiële kapitaal, maar ook op het natuurlijke kapitaal, de ecosystemen die productie mogelijk maken: bodem, water, lucht, klimaat, biodiversiteit. Een landbouw die in zijn zoektocht naar grotere productiviteit dat natuurlijke kapitaal aantast, ondergraaft op de langere termijn zijn productiecapaciteit. Doet de Europese landbouw dat?

Het antwoord op die vraag is uiteraard niet zwart-wit, maar dat er sprake is van zware druk op de natuurlijke systemen lijdt weinig twijfel. Zo lijdt een kwart van de Europese bodem onder erosie, lezen we in het Europees Milieurapport van 2015. De biodiversiteit op het landbouwland is de laatste decennia sterk achteruitgegaan, benadrukt het advies van de Minaraad over het GLB na 2020: ‘Van alle vogelsoorten vertonen de aan de landbouw gebonden soorten de sterkste achteruitgang. Ook de soortenrijkdom aan vlinders, wilde bijen en planten in landbouwgebied blijft achteruitgaan.’

Verder is duidelijk dat klimaatverandering niet alleen de Europese landbouw zal raken – vooral zuidelijk Europa zal door toenemende droogte minder productief worden –, maar dat, omgekeerd, de landbouw met zijn uitstoot van broeikasgassen (methaan in de veeteelt en stikstofoxide door het gebruik van meststoffen) de klimaatverandering in de hand werkt. Landbouw blijft ook het oppervlaktewater, en zo ook het grondwater vervuilen. In het recentste rapport van de Vlaamse MilieuMaatschappij (VMM) lezen we: ‘Uit de toetsing van de drempelwaarde in het oppervlaktewater blijkt dat in het winterjaar 2016-17 21 procent van de meetplaatsen minstens één maal de drempelwaarde van vijftig milligram nitraat per liter overschrijdt. (…) Daardoor zal de voorgestelde doelstelling om tegen 2018 slechts vijf procent meetplaatsen met overschrijding te bekomen niet meer haalbaar zijn.’

In haar jongste rapport over pesticiden in het Vlaamse oppervlaktewater schrijft de VMM: ‘In 2016 waren de gemiddelde concentraties voor imidacloprid, flufenacet en diflufenican in respectievelijk 74, 43 en 42 procent van de meetplaatsen te hoog.’ En uit meetresultaten blijkt dat 57 van de 112 gecontroleerde pesticiden werden vastgesteld ter hoogte van de innamepunten voor drinkwater. Voor 32 pesticiden werd door de VMM of de drinkwatermaatschappijen op één of meer locaties een concentratie gemeten hoger dan tienmaal de drinkwaternorm. Ter hoogte van het innamepunt Zillebeke was dat het geval voor liefst 28 pesticiden!

Milieuvriendelijker beleid?

Nochtans is de focus van het GLB in de loop der jaren verschoven van louter aandacht voor de productie en de boereninkomens naar twee extra doelstellingen: het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie, en een evenwichtige ontwikkeling van het grondgebied. Dat heeft zich ook vertaald in de financiële instrumenten. Sinds 2013 is een derde van de directe betalingen afhankelijk van het nemen van vergroeningsmaatregelen: gewasdiversificatie, het behoud van grasland en het inrichten van ecologisch aandachtsgebied. De zogenaamde tweede pijler van de plattelandsontwikkeling is gericht op het versterken van lokale boerengemeenschappen of het vergoeden van boeren als ze vrijwillig bepaalde ingrepen doen die gunstig zijn voor het milieu.

De cijfers hierboven gaven aan dat de landbouw wel degelijk de natuurlijke systemen aantast, maar betekent dit dat het GLB en het Europese milieubeleid onze landbouw niet duurzamer hebben gemaakt?

Er zijn stappen voorwaarts gezet, daarover is zowat iedereen het eens. Bart Staes is een van de Europarlementariërs die het GLB al het langst volgt: ‘Er zijn zeker stappen vooruit gezet inzake dierenwelzijn bijvoorbeeld. Laat ons zeggen dat de tanker van de Europese landbouw al tien graden van richting is veranderd, maar er is negentig graden nodig, als het niet meer is.’

De slechte cijfers voor nutriënten in het Vlaamse oppervlaktewater betekenen niet dat er geen vooruitgang is geboekt. Zo zegt het laatste nutriëntenrapport dat de nitraatconcentraties tussen 2008 en 2017 in 38 procent van de meetpunten een dalende trend vertoonden, en slechts in twee procent een stijgende trend.

‘De EU-landbouwemissies tussen 1990 en 2012 daalden met 24 procent. De landbouw in de rest van de wereld vertoont een omgekeerde ontwikkeling.’

Hoewel de landbouw nog altijd goed is voor tien procent van de Europese broeikasgassen, noteert het Europees Milieuagentschap dat ‘door een aanzienlijke afname van de veestapel, een doeltreffender gebruik van meststoffen en een beter beheer van dierlijke mest de landbouwemissies tussen 1990 en 2012 met 24 procent daalden. De landbouw in de rest van de wereld vertoont een omgekeerde ontwikkeling.’

Ook inzake pesticiden is er vooruitgang geboekt, onderstreept Pieter Spanoghe, hoofddocent gewasbescherming aan de UGent. ‘De eerste Europese wetten over pesticiden uit 1991 stelden drie kwart van de pesticiden buiten gebruik. Van alle chemicaliën worden pesticiden onderworpen aan de meeste en de breedste proeven.’ Dany Bylemans van Proefcentrum Fruitteelt wijst erop dat ‘de middelen die we nu in de landbouw gebruiken veel gerichter zijn. De voorkeur gaat naar stoffen die enkel één bepaalde plaagsoort of ziekte bestrijden.’ Toch blijft professor Visser erg sceptisch tegenover het veilig gebruik van pesticiden: ‘De lobbymacht van de chemische industrie is immens.’

Dirk Lips, voorzitter van de Vlaamse Raad voor Dierenwelzijn, wijst er dan weer op dat Europa de beste leerling van de wereldklas is inzake dierenwelzijn: ‘Het verbod op legbatterijen en de verplichte groepshuisvesting voor kalveren zijn positieve stappen.’ Lips merkt dat boeren en dierenbeschermers elkaar in de praktijk geregeld vinden in pragmatische en commercieel haalbare verbeteringen.

© Panos Pictures / Kacper Kowalski

De focus van het Europees landbouwbeleid is verschoven van louter aandacht voor de productie en de boereninkomens naar het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie, en een evenwichtige ontwikkeling van het grondgebied (Graanveld in de lente met korenbloemen, Pommeren, Polen)

Wat na 2020?

In welke richting zal het Europese landbouwbeleid evolueren na 2020? Landbouwcommissaris Phil Hogan communiceerde daarover voor het eerst in november 2017, maar erg veel liet hij niet los. François Huyghe van de Boerenbond: ‘Wij hopen dat er nog altijd 0,4 procent van het bni van de EU naar landbouw zal gaan. En dat er eindelijk iets gedaan wordt aan de gebrekkige marktmacht van de boer, door ons een uitzondering te gunnen op de mededingingswet.’ Huyghe put hoop uit het feit dat boeren zich per sector zouden mogen organiseren in zogenaamde producentenorganisaties om op die manier een betere prijs voor hun producten te kunnen afdwingen. ‘Nu onderhandelen bijvoorbeeld de Belgische leveranciers van Danone als groep met Danone. Zo kunnen ze te grote prijsschommelingen uitvlakken.’

Een groeiend aantal boeren vergroot dan weer zijn autonomie, en mogelijk zijn inkomen, door zelf een directe band te ontwikkelen met eindconsumenten via plukboerderijen, boerenmarkten, voedselabonnementen, eigen winkels. Dat directe contact houdt ook vaak in dat ze milieuvriendelijker gaan werken, onder meer omdat hun klanten dat willen, én dat ze van hun klanten veel persoonlijke waardering krijgen voor hun werk. Is dat de te volgen weg? Joris Relaes (ILVO): ‘Ik heb daar enorm veel sympathie voor. Een bioboerderij van één hectare met een eigen gemeenschap van klanten heeft inderdaad weinig milieu-impact en biedt die boer een goed inkomen, maar ik vrees dat je Vlaanderen zo niet kan voeden. Voor de akkerbouw moet je toch naar grootschaligheid en daar verwacht ik in de toekomst veel van “slim en precies boeren”, waarbij je met behulp van technologie zoals GPS de inputs heel gericht kan toedienen en zo de kosten en de milieu-impact kan verlagen.’

‘Wij willen een socialere en agro-ecologischer landbouw die beter zal zijn voor de volksgezondheid, het inkomen van de boeren, het welzijn van de dieren en het ecologisch evenwicht.’

Bart Staes (Groen) wil dan weer dat er een bovengrens van 50.000 euro steun per boerderij komt – om het Europese manna beter te herverdelen. ‘Wij willen een socialere en agro-ecologischer landbouw die beter zal zijn voor de volksgezondheid, het inkomen van de boeren, het welzijn van de dieren en het ecologisch evenwicht.’ Dat is ook de lijn van Marjolein Visser, die erkent dat dit wellicht inhoudt dat er per hectare wat minder wordt geproduceerd en voedsel wat duurder wordt. ‘Dat is misschien niet betaalbaar voor de kwetsbaarsten in onze samenleving. Wat dus betekent dat je eigenlijk ook het inkomen in onze samenleving rechtvaardiger moet verdelen als je een duurzamer landbouw wil.’

MO*talks 14 maart @ deBuren:

Méér mensen, méér stedelingen,
minder boeren: wie voedt ons in 2050?

Bart Staes gelooft dat zulke duurzame landbouw niet mogelijk is als landbouw een deel blijft van de Wereldhandelsorganisatie. ‘Voedselproductie moet niet op een volledig vrije wereldmarkt spelen maar moet zich regionaal organiseren. Landbouw maakt deel uit van de eigenheid van een samenleving, die moet kunnen kiezen welk soort landbouw en voedsel ze wil. Zo’n grote omslag acht ik enkel mogelijk als we naar een voedsel- en landbouwbeleid gaan waar de ministers van Volksgezondheid, Consumentenzaken en Milieu evenzeer hun stem kunnen laten horen als hun collega’s van Landbouw.’

Dergelijke grote veranderingen komen er wellicht niet meteen na 2020. Waarschijnlijker is dat het huidige landbouwsysteem geleidelijk milieuvriendelijker wordt gemaakt en dat verschillende types van landbouwbedrijven, groot en klein, intensief en biologisch, naast elkaar blijven bestaan.

Dit artikel verscheen in het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift