Burundi beschuldigt België voor het eerst officieel

‘België is de ware opdrachtgever van moord op prins Rwagasore’

Rachel Strohm (CC BY-ND 2.0)

 

Dit artikel verscheen een eerste keer online op 4 juni 2013 onder de titel Koning Boudewijn op de bres voor de christendemocraten en werd ook gepubliceerd in MO* n° 105 van datzelfde jaar.Op 13 oktober 1961 vermoordt de Griek Jean Kageorgis de Burundese eerste minister Louis Rwagasore, zoon van mwami Mwambutsa, koning van Burundi. Prins Rwagasore heeft met zijn partij Uprona enkele weken daarvoor de verkiezingen gewonnen. ‘België was de ware opdrachtgever’, verklaart de Burundese overheid nu voor het eerst in een officiële mededeling. Het land belooft 57 jaar na het overlijden van de onafhankelijkheidsheld een onderzoek te openen om de rol van zijn oude kolonisator in de politieke moord duidelijk te stellen.

De timing van de mededeling is niet toevallig. De diplomatieke relaties tussen Burundi en België kennen al even een dieptepunt. Maar hoewel de beschuldiging door de oud-kolonie nu pas voor het eerst officieel wordt verwoord, is ons land al een tijd hoofdverdachte in deze onopgehelderde zaak. Op basis van het archief van Buitenlandse Zaken kwam Guy Poppe in 2013 al tot de vaststelling dat er een onder de radar gebleven Belgische betrokkenheid is bij die moord.

Belangrijk is een document dat koning Boudewijn minister van Buitenlandse Zaken Spaak toestuurt. Daarin staat dat de toenmalige resident van Burundi, Roberto Regnier [*], op 21 september, op een vergadering drie dagen na de verkiezingen, vlakaf stelt dat Rwagasore dood moet, “il faut tuer Rwagasore”. Aan Belgische kant is een officiële reactie op die onthullingen tot dusver uitgebleven.

Op die Belgische connectie gaat MO* verder in. Guy Poppe boort bronnen aan uit het archief van wijlen Regnier en dat van Mwambutsa. Ze bevatten voer voor de stelling dat Boudewijn de christendemocratie, die boter op haar hoofd had, uit de wind heeft willen zetten.

In het archief van Regnier vinden we documenten die licht werpen op de zaak en hoe hij ze ervaren heeft.

In het archief van Regnier vinden we documenten die licht werpen op de zaak en hoe hij ze ervaren heeft. In drie gevallen gaat het over notities van zijn hand. Het eerste document dateert van 20 april 1962. Regnier komt daarin terug op zijn getuigenis voor het hof van beroep twee dagen tevoren, de eerste keer dat hij verplicht is, o.m. middels een confrontatie met een andere kroongetuige, Madame Belva, om openlijk zijn uitspraken van vlak na de verkiezingen toe te lichten.

Het tweede document dateert van 2 juli, enkele dagen nadat het parket in Brussel hem over zijn uitlatingen ondervraagd heeft. Lang na de gebeurtenissen heeft Regnier bovendien een tekst geschreven, waarin hij terugblikt op de zaak-Rwagasore en zijn betrokkenheid. Hij is niet gedateerd en kan ten vroegste in 1987 geschreven zijn. Regnier citeert n.l. de memoires van Resident-Generaal Harroy over Burundi, die dat jaar gepubliceerd zijn . Voor de laatste keer, met minstens vijfentwintig jaar afstand, sluit Regnier de affaire af.

De krachtlijnen van Regniers betoog

‘Ik heb de woorden “il faut tuer Rwagasore” uitgesproken’. Zo rondt Regnier zijn verslag van 2 juli af. Daarmee bevestigt hij expliciet zijn verklaring van enkele dagen daarvoor, afgelegd in handen van commissaris Deuvaert. Samen ondervraagd met Hubert Léonard, kabinetschef van Rwagasore’s voorganger als eerste minister, Joseph Cimpaye, legt die hem precies die woorden in de mond. Regnier antwoordt dat hij Léonard niet tegenspreekt.

Maar wat Regnier zijn “onvoorzichtige woorden” noemt, plaatst hij in een context. Hij spreekt ze uit op een vergadering, bijeengeroepen op verzoek van Belva en Belgische ambtenaren. Allemaal staan ze in dienst van de electoraal afgestrafte regering-Cimpaye, gevormd op basis van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Die had het Front Commun, de alliantie rond de christendemocraten van de PDC, in het najaar van 1960 met vlag en wimpel gewonnen. De bijeenkomst heeft tot doel om na te gaan hoe regelmatig het verloop van de verkiezingen geweest is en of er reden is om beroep aan te tekenen of de uitslag nietig te laten verklaren.

Regnier legt de aanwezigen drie scenario’s voor. Hetzij overgaan tot gewelddadige actie en Rwagasore uit de weg ruimen – daarin past de fameuze zinsnede “il faut tuer Rwagasore” -, ofwel zich omvormen tot een krachtdadige oppositiepartij of zich ten dienste stellen van de nieuwe regering. In zijn laatste relaas, opgetekend vijfentwintig jaar na de feiten, schrijft Regnier dat hij de anderen overtuigt dat het derde scenario het goede is. Dat is dan ook het besluit van de vergadering, concludeert hij.

In zijn eerste notities, opgetekend vlak na zijn getuigenis, geeft Regnier aan dat hij voor het hof van beroep lezing gegeven heeft van de richtlijnen voor samenwerking die hij op 21 september uitgevaardigd heeft voor de gewestbeheerders, met wie hij die dag vergaderd heeft. Samenwerking dus, Regniers keuze was duidelijk. Zelfs de dag voordien al, want de ontwerptekst die in het archief van Buitenlandse Zaken terug te vinden is, draagt de datum van 20 september.

Als Regnier op 11 oktober 1961, drie weken na de bewuste vergadering, Harroy die richtlijnen doorstuurt, beschrijft hij in een brief de stemming bij de groep : “De geëlektriseerde atmosfeer die de vergadering overheerste — resultaat van ontgoocheling en bitterheid als gevolg van de psychologische schok die de overwinning van Uprona teweeggebracht heeft -, heeft me niet in staat gesteld om ze tot een gezond realisme te bewegen, dat de reacties van onze gewestbeheerders had kunnen inspireren.” De ambtenaren waren begrijpelijk van de kaart na Rwagasore’s zege. De voogdijoverheid had immers ingezet op het Front Commun. Getuige zijn notities geeft Regnier voor het hof toe dat er fondsen gingen naar de regering om, zoals hij het formuleert, de bevolking informatie te verstekken, en voor politieke geschenken zoals de gebruiken dat vereisen.

De overheid wou te allen prijze voorkomen dat Rwagasore aan de macht zou komen.

© Klaas Verplancke

 

De overheid wou te allen prijze voorkomen dat Rwagasore aan de macht zou komen en streefde, al van voor Regnier de functie van resident opnam, dat oogmerk na. Rwagasore genoot een afschuwelijke faam, lezen we in de notities, er zijn ongelukkige opmerkingen gemaakt als “dat zou een mooie opruiming zijn” en vergelijkingen als “un nouveau Lumumba”.

Onvoorzichtige maar onschuldige boutades, schrijft Regnier, geuit tijdens de campagne, vóór de verkiezingen en nooit ten overstaan van Afrikanen. Het verhaal dat Marie-Rose Capel me deed, vriendin van Belva en territoriaal agent – ze schreef de wapenvergunning voor de moordenaar Kageorgis uit maar dat tussen haakjes -, ligt in die lijn. In haar bijzijn, vertrouwde ze me toe, vertelden collega’s van haar Ntidendereza, minister in de regering-Cimpaye, leider van de PDC en spilfiguur in de samenzwering tegen Rwagasore, wat hij met de prins moest doen maar dat was vóór de verkiezingen en gebeurde op een gekscherende toon. Kortom, als we Capel en Regnier mogen geloven, na de verkiezingen was er over Rwagasore geen kwaad woord meer te horen.

De reactie van Ntidendereza

Voor de verkiezingen krijgt Ntidendereza tips hoe hij zich van zijn rivaal kan ontdoen en vlak na het verkiezingsdebacle licht Belva hem in over wat Regnier gezegd heeft. Ik heb het onmogelijke gedaan om vooral Ntidendereza te overtuigen zich neer te leggen bij het verdict, lezen we in Regniers notities.

Op 2 oktober schrijft hij Harroy dat hij, na een onderhoud of tien, allemaal na 20 september, van Ntidendereza een grote toegeving verkregen heeft. Hij heeft Regnier beloofd dat hij het voldongen feit aanvaardt, hoewel hij oorspronkelijk vastbesloten was om met gewelddadige acties van start te gaan tegen de partij die gewonnen heeft en haar leiders.

Regnier verwittigt Harroy ook van zijn toezegging aan Ntidendereza dat de Resident-Generaal formeel tussenbeide zal komen om hem een baan te zoeken, in België, de Gemeenschappelijke Markt of een soortgelijke instelling en, mocht dat niet lukken, Ntidendereza bereid is om een beurs te aanvaarden. De gewelddadige actie waarovan hij het heeft, bestond niet uit een complot, preciseert Regnier, maar uit massa-acties, zoals de Parmehutu-partij er in Rwanda opgezet heeft.

Wat houdt ‘il faut tuer Rwagasore’ in ?

Het hof van beroep verwijst naar de uitlating als een boutade en neemt ze in aanmerking als verzachtende omstandigheden voor de beklaagden. Voor Ntidendereza wijzigt het hof de oorspronkelijke doodstraf in twintig jaar. Laten we nagaan hoe de aanwezigen op de bewuste vergadering er tegenaan keken. We putten uit de fragmenten van de ondervragingen door het Brusselse parket van eind juni 1962, die Ludo de Witte, blijkens een recent artikel in Le Vif, uit de archieven van het Foreign Office opgedolven heeft.

Hoewel Regnier de woorden letterlijk uitgesproken heeft, moeten we ze niet interpreteren als een bevel of een opdracht, zegt Léonard, maar als een oplossing voor de politieke malaise waarin Burundi verkeerde. Regnier, gaat hij voort, bedoelde het ernstig maar stelde het niet voor als een uit te voeren handeling, hij vergeleek met Rwanda, waar politieke moorden gedekt waren. Door zijn uitspraken over Rwanda liet Regnier verstaan dat Rwagasore in dat land niet meer tot de levenden behoord zou hebben, vult Jacques Troquet, kabinetschef van Ntidendereza op Binnenlandse Zaken, aan. Wij waren allemaal in het diepst van ons hart ervan overtuigd dat Rwagasore een lastpost was, stelt hij, une nuisance. Net die term gebruikt ook Pierre Bibot, kabinetschef van de minister van Sociale Zaken, Nigane. Enkele dagen later noteert Regnier dat Bibot en Troquet zijn woorden terecht in de context van een discussie over de toekomstige aanpak geplaatst hebben.

Belva’s interpretatie staat in een verslag van de rechtbankzitting van 18 april dat we in het archief van Mwambutsa teruggevonden hebben. Regnier sprak volgens haar de woorden “il faut tuer Rwagasore” niet op een kernachtige manier uit maar kwam wel terug op het idee dat er niets zou werken zo lang Rwagasore er was. Dat gebeurde terwijl hij de vergelijking maakte tussen Burundi en Rwanda, wat hij, zei ze, de hele tijd deed.

De enigmatische Savine Belva

Over Belva heeft Regnier het uitvoerig, op allerhande plaatsen in zijn notities. Logisch, want ze brengt hem in opspraak. Laten we eerst dit vermelden. Belva is meer dan Ntidendereza’s secretaresse, dat horen we van verscheidene kanten. Dat aspect van haar relatie met hem moeten we meegeven omdat haar handelwijze anders moeilijk te begrijpen is. Ze vecht als een leeuwin voor de man van wiens onschuld ze overtuigd is, en overigens voor hem alleen. Als Regnier na jaren terugkijkt op de hele geschiedenis, dan herinnert hij zich hoe Belva hem opzoekt na het proces in eerste aanleg, verzoekt om Ntidendereza naar België over te brengen en op zijn negatieve antwoord reageert met de oproep : “Dan moet u me helpen om Ntidendereza te laten ontsnappen, de anderen kunnen me geen lor schelen (les autres, je m’en fous complètement)”.

Regnier heeft de grootste achting voor Belva. Hij vindt haar een opmerkenswaardige secretaresse, intelligent, actief en dynamisch. “J’aimerais l’avoir à mes côtés”, schrijft hij Harroy in oktober, hij zou haar best aan zijn zij willen hebben. Regnier is ervan overtuigd dat ze geen rol gespeeld heeft in de moord, zelfs niet bij het beramen ervan. Haar motieven zijn duidelijk voor hem. Ze is een fanatiekeling die koste wat kost het vel wil redden van Ntindendereza die ze vereert. Toch ligt het procedé dat ze nu bezigt, met name hem te bekladden, niet in haar lijn, besluit Regnier, ze is ofwel een fantaste of speelt komedie.

Belva’s tactiek op het proces, net als die van Ntidendereza’s verdediging, omschrijft Regnier als volgt : uitspraken en overpeinzingen aan tafel en in de bar synthetiseren, uitvergroten en in de mond leggen van welbepaalde, goed bekende en tot de voogdij behorende personen om zo Ntidendereza’s verantwoordelijkheid te minimaliseren. Maar Belva’s aanvallen blijven binnen de perken. Uit de mond van mr. Goffin noteert Regnier dat Ntidendereza’s advocaat niet zo ver wil gaan te beweren dat de Resident aan het moordcomplot deelgenomen heeft.

Maar na Regniers weigering om in te gaan op Belva’s verzoek Ntidendereza in België op te sluiten, krijgt hij van haar te horen dat ze in dat geval de voogdij, Harroy én Regnier, mee in het bad trekt (“je mettrai la tutelle dedans”). De bewoordingen van dat gesprek schrijft Regnier pas 25 jaar later op. Belva is in paniek, wanhopig en ten einde raad, lezen we. Louis Jaspers, adjunct van Regnier vanaf half november 1961 en tot in april 1962 nummer twee van de voogdijoverheid, heeft me dat bevestigd. Ofwel laat je Ntidendereza naar België vertrekken of ik verspreid het verhaal van je uitspraken, was volgens hem de inhoud van Belva’s oekaze aan Regniers adres.

Het is geen loze bedreiging. Meteen na zijn ondervraging door het Brusselse parket eind juni 1962 stelt Regnier vast dat Belva’s stellingen met de tijd evolueren. Voor het hof van beroep geeft ze aan dat de onvoorzichtige bewoordingen en petit comité gedaan zijn, onder Europeanen, haar incluis, en daar houdt het op.

Twee maanden later beschuldigt Belva Regnier ervan ten overstaan van haar en andere ambtenaren openlijk een uitdrukkelijk rechterlijk bevel uitgesproken te hebben, dat als een absolute noodzaak te begrijpen was

Twee maanden later beschuldigt Belva hem ervan ten overstaan van haar en andere ambtenaren openlijk een uitdrukkelijk rechterlijk bevel uitgesproken te hebben, dat als een absolute noodzaak te begrijpen was (“Elle m’a accusé d’avoir émis une injonction formelle, à la cantonade … se ramenant à un impératif catégorique” : “il faut tuer Rwagasore”). Op de vraag of er een verband is tussen die woorden en het complot, antwoordt ze : “Je ne sais pas”. Belva weet het dus niet maar veronderstelt dat de woorden herhaald zijn, iemand ze opgepikt en als een bevel beschouwd heeft en de daad bij het woord gevoegd heeft.

Wat Regnier in zijn notities van begin juli nog schrijft over die confrontatie met Belva is leerrijk omdat geen enkele andere bron daarvan melding maakt. Belva ontkent namelijk dat ze Kageorgis aan Regnier voorgesteld heeft en verklaart dat de Griek zijn beschuldigingen fout zijn. Kennelijk heeft het gerecht van hem opgevangen dat de Resident hem het bevel gegeven heeft om Rwagasore te vermoorden en gaat het daarop in.

Regnier ontkent in alle toonaarden. In zijn versie heeft hij Kageorgis voor het eerst ontmoet toen hij op 18 april getuigenis aflegde en treedt Belva hem daarin bij. Merkwaardig dat Kageorgis in zijn formele klacht van eind juni, erop gericht om het onderzoek te hervatten en bijgevolg zijn executie uit te stellen, van die tenlastelegging aan Regniers adres geen gewag maakt. Dat doet hij wel als de procureur des konings, Jacques Bourguignon, hem in zijn cel opzoekt. Die brengt daarvan verslag uit. Dat aspect van de zaak vereist opheldering. De vrijgave van de proces-verbalen kan daarbij helpen.

Tijdens het gerechtelijke onderzoek

Uit de periode voor de zitting van 18 april vinden we geen enkele verklaring van Regnier terug in het archief van Buitenlandse Zaken. Officieel is hij nooit ondervraagd. Maar hij heeft Bourguignon wel ontmoet. Belva is op het proces daarop ingegaan. Van de auteur van het verslag dat we in Mwambutsa’s archief terugvinden, vernemen we meer. Op een zondagmiddag eind oktober 1961, enkele dagen na de moord, trekt Belva naar Bourguignon. Ze brengt verslag uit over de gewraakte vergadering.

Bourguignon vraagt haar of ze een officiële verklaring af wil leggen maar, vertelt ze, “dat heb ik aan hem overgelaten”. Ze vond het belangrijk dat hij op de hoogte was. Bourguignon zegt haar ten slotte dat hij met Regnier over zijn uitspraken gaat praten.

Achteraf heeft Regnier Belva gezegd ‘qu’il avait été appelé’ door ene Casterman (of die persoon van wie de functie niet gepreciseerd is hem gebeld of bij zich geroepen heeft, is niet duidelijk). Hij heeft op de zitting vermeden om op Belva’s toespelingen te antwoorden, schrijft Regnier. Hij is inderdaad een dag bij de procureur langsgegaan om een detail op te helderen waarin die belang stelde maar ‘was volledig vergeten waarover het ging’.

25 jaar na de feiten zijn Regniers aantekeningen accurater. Dan herinnert hij zich dat het om preciseringen van woorden ging, uitgesproken op een door Belva gevraagde vergadering na de verkiezingen. De bijeenkomst dus waarop Regnier zich over Rwagasore’s lot uitgelaten heeft. Van dat gesprek heeft hij geen notities genomen en is er geen schriftelijke neerslag, Regnier put uit zijn geheugen.

Maxence (CC BY-NC-SA 2.0)

Het standbeeld van onafhankelijkheidsheld Louis Rwagasore

Regnier en Rwanda

Herhaaldelijk brengen getuigen Regniers verwijzingen naar Rwanda ter sprake. Voor zijn aanstelling naar Burundi was hij daar aan de slag als adjunct-resident. In zijn notities van april 1962 citeert hij zijn discussie met mr. Goffin en Belva voor de rechtbank. Hij ontkent formeel haar aantijging dat hij in de loop van de bewuste vergadering aangeraden heeft hetzij een commando van de voogdij ofwel traditionele krijgers in te zetten om Rwagasore uit de weg te ruimen. De advocaat legt Regnier ook zijn uitspraken aan Belva voor dat ze in Rwanda in een dergelijk geval als Rwagasore niet geaarzeld zouden hebben en zij als christen van abbé Novaux de absolutie zou krijgen. Woorden waarvan Regnier niet gelooft dat hij ze geuit heeft.

Telkens als ik bij de ministers van het Front Commun Rwanda ter sprake bracht, schrijft Regnier, dan raadde ik hen aan om, in plaats van op hun overwinning bij de gemeenteraadsverkiezingen te teren en op de voogdij te rekenen, campagne te voeren zoals de Parmehutu, door meetings in de heuvels te houden en gebruik te maken van moderne symbolen en slogans. Voor de goede orde : de radicale Hutu die in die partij de dienst uitmaakten, deinsden niet terug voor een moordpartij meer of minder. 25 jaar na datum noteert Regnier dat hij uit Rwanda weggegaan is omdat er voor mensen als hij gezien de toonaangevende rol van partijen als de Parmehutu geen plaats meer was.

De vooravond van de moord

In datzelfde document van 1987 of later heeft Regnier het voor het eerst over een diner bij hem thuis de 12e oktober, aan de vooravond van Rwagasore’s dood. Hij heeft hem uitgenodigd samen met Cimpaye en Malgras van het persagentschap Havas. Die is goed thuis in kringen van Uprona en heeft als bemiddelaar gefungeerd. Rwagasore is gul, valt Regnier op, en staat open voor zijn idee om vrijgevig te zijn.

Aan het einde van de maaltijd laat Rwagasore horen dat hij de benoeming van Ntidendereza tot ambassadeur in Brussel op het oog heeft. Daarmee is Regnier de derde bron van dat verhaal, naast Ntidendereza’s zoon Aimé en advocaat Jules Chomé.

De moord nà de verkiezingen was onnodig en dom, besluit Regnier, Rwagasore had na zijn overwinning het roer drastisch omgegooid. Maar uiteindelijk leidt Rwagasore’s tegemoetkomende houding na de verkiezingen nergens toe. Aan wat hij voorstaat, komt er een dag later een abrupt einde.

Toetsing

Als we Regniers notities en de verslagen uit het archief van Mwambutsa vergelijken met wat we al wisten over de Belgische connectie in de zaak-Rwagasore, dan vallen er enkele ongerijmdheden op. Zo vergist Regnier zich op een belangrijk punt. Bij het begin van het onderzoek heeft niemand van de verdachten Europese raadgevers ervan beschuldigd “onvoorzichtige” woorden uitgesproken te hebben, schrijft hij in zijn laatste reeks notities.

Dat is onjuist. 48 uren na de moord, meteen na zijn aanhouding, legt een van de samenzweerders, Jean Ntakiyica, een verklaring af, waarin hij aangeeft wat Ntidendereza hem verteld heeft. Hetzij Harroy of Regnier, dat weet hij niet meer, heeft volgens hem Ntidendereza gewaarschuwd dat het parket onmogelijk de andere kant op kan kijken als ze op heterdaad betrapt worden nadat ze leiders van Uprona uit de weg geruimd hebben.

Wat flou blijft, is in welke mate Regnier in Rwanda een voorbeeld zag. De Hutu-revolutie, die de steun had van de voogdijoverheid, had er met veel bloedvergieten een einde gemaakt aan de Tutsi-monarchie. Maar op concrete vergelijkingen met Rwanda die hij zowel volgens Belva als Léonard en Troquet gemaakt heeft, gaat Regnier in zijn notities niet diep in. Andere uitspraken van hem over Rwanda, opgenomen in het document dat Boudewijn Spaak toestuurt, komen in Regniers aantekeningen niet ter sprake.

Bevreemdend is de verwarring die Regnier zaait over de datum van de vergadering waarop hij zijn fameuze uitlating doet. 21 september, stelt Boudewijns informant. Ook volgens een van de verslaggevers van Mwambutsa is het de 21e. Hij geeft wel aan dat er de 20e ook vergaderd is, door Léonard met de ontslagnemende Burundese ministers, zonder Regnier, en dat er achteraf doorvergaderd is in kleine groepjes.

In zijn eerste notities, in april, is Regnier niet concreet. In zijn notities van juli prikt hij de 21e, maar in een bijlage schrijft hij 20 september. 25 jaar later kiest hij resoluut voor de 20e. Dat is niet zonder belang. Het ontwerp van de richtlijnen voor de gewestbeheerders, met wie hij de 21e bijeenkomt, dateert van 20 september. Was de bewuste vergadering de 20e, dan heeft hij misschien de afloop ervan afgewacht voor hij zijn ambtenaren medewerking met de nieuwe regering oplegt. Maar was de bijeenkomst de 21e, dan was Regnier inderdaad de dag voordien al overtuigd dat samenwerking onvermijdelijk was en moeten we zijn uitspraak “il faut tuer Rwagasore” minder letterlijk nemen.

Zette Boudewijn de christendemocraten uit de wind ?

Een belangrijke vraag is waarom Regniers uitspraak, los van de tijds- en situatiegebonden context waarin – toegegeven – hijzelf ze plaatst, zo’n eigen leven is gaan leiden. In die mate dat Boudewijn Spaak probeert te overtuigen om Kageorgis gratie te verlenen door hem een anoniem document te bezorgen, waarin Regniers “onvoorzichtige woorden” – en of, want uitgesproken heeft hij ze ! -, zo naakt als maar kan, centraal staan. Boudewijn schaart zich m.a.w. achter een tekst waaruit elke nuance geweerd is. Nochtans was Regnier op het proces in beroep op de getuigenbank verschenen en was zijn versie dus minstens gedeeltelijk bekend.

Hier belanden we weliswaar in het rijk van de hypotheses maar er zijn aanwijzingen genoeg dat Boudewijn voor de kar van de christendemocratie gespannen is. We gaan ervan uit dat voormalig resident Robert Scheyven de auteur is van het bewuste document. Hij is een telg van een in de christendemocratie gepokt en gemazelde familie, waaruit ook zijn neef Raymond spruit. Die was in de regering-Eyskens tot in 1960 minister, belast met de economische en financiële zaken van Belgisch Kongo en Ruanda-Urundi.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Daarnaast is er het feit dat een samenzweerder als Ntidendereza, het brein achter het complot tegen Rwagasore, de spil was van de door Rwagasore verslagen zusterpartij van de Belgische CVP. Het gerechtelijke dossier bevat nog meer signalen die op verregaande betrokkenheid van christendemocratische politici in België wijzen. Ze hadden bijgevolg een stevig stel redenen om potjes gedekt te houden.

100 % zekerheid kan ik niet geven. Eens te meer stuit ik op de lacunes in het onderzoek die me in mijn boek lieten besluiten : ‘Je kunt er niet aan voorbij dat de Burundese justitie, op dat moment volledig in Belgische handen, alles wat Belgen impliceert, het doet er niet toe of ze in het moederland dan wel in Burundi actief zijn, zorgvuldig toedekt. En er zijn te veel aanwijzingen om er zomaar vanuit te gaan dat al die sporen nergens naartoe geleid zouden hebben.’

Het gebrekkige onderzoek heeft voorkomen dat de christendemocratie in haar hemd kwam staan.

Die conclusie kan ik nu verfijnen. Het gebrekkige onderzoek heeft voorkomen dat de christendemocratie in haar hemd kwam staan. Die heeft op haar beurt in het politieke schaakspel zo gemanoeuvreerd dat de koning aan zet was. Of Boudewijn meer dan een pion was in haar handen is niet op te maken. Wel valt op hoe verbeten hij zich van zijn taak kwijt.

Om volledig zicht te krijgen op de zaak-Rwagasore moet er toegang komen tot informatie uit documenten die tot dusver niet ontsloten zijn, zoals de proces-verbalen van de ondervragingen die eind juni 1962 in Brussel plaatsgevonden hebben. Daarnaast moeten nog levende betrokkenen, zoals procureur Bourguignon en Etienne Davignon, onder ede getuigenis afleggen. Het meest voor de hand liggende forum is een parlementaire onderzoekscommissie, naar het model van de commissie-Lumumba. Het is hoog tijd om tot de oprichting over te gaan.

Ik pleit ook ervoor dat de waarheidscommissie in Burundi een ruimere periode bestrijkt dan wat er in het parlement ingediende wetsontwerp vermeld staat. De onderzoeksperiode heeft 1 juli 1962 als startdatum, de dag dat Burundi onafhankelijk geworden is. Op die manier blijft de commissie verstoken van de mogelijkheid om de moord op eerste minister Louis Rwagasore onder de loep te nemen. Dat zou een gemiste kans zijn.

De Moord op Rwagasore, de Burundese Lumumba door Guy Poppe is uitgegeven door Epo. 270blzn. ISBN: 9789491297052

Wie is wie

Belva Sevine, 34, geboren Dulière. Gaat in Burundi door het leven onder de naam van haar man. Secretaresse en minnares van Ntidendereza.
Biroli Joseph, 32, broer van Ntidendereza. Als stichter van de christendemocratische PDC een van de leiders van het Front Commun, het gemeenschappelijk oppositiefront.
Boudewijn, koning van België van 1951 tot 1993.
Bourguignon Jacques, 39, eerste substituut van de procureur des Konings in Bujumbura. Tijdens het onderzoek naar de moord fungeert hij als procureur des Konings en op het proces als Openbaar Ministerie.
Cimpaye, Joseph. Eerste minister van Burundi tot de verkiezingen van september 1961. Zijn regering was gevormd op basis van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Die had het Front Commun, de alliantie rond de christendemocraten van de PDC, in het najaar van 1960 met vlag en wimpel gewonnen.
Davignon Etienne, 29, kabinetsmedewerker van minister Spaak, belast met Ruanda-Urundi. Groeit later uit tot een topman in de politiek en het zakenleven, o.m. als Europees commissaris, minister van staat en tegenwoordig als vicevoorzitter van Suez-Tractebel.
Front Commun, de alliantie rond de christendemocraten van de PDC. Wint in het najaar van 1960 met vlag en wimpel de gemeenteraadverkiezingen. Vormt de kern van de regering-Cimpaye die in september 1961 in de parlementsverkiezingen een nederlaag leidt tegen Rwagasore’s Uprona
Harroy Jean-Paul, vicegouverneur-generaal van Belgisch Kongo en gouverneur van Ruanda-Urundi vanaf 1955. Na de onafhankelijkheid van Kongo draagt hij de titel van resident-generaal van Ruanda-Urundi, tot 11 januari 1962.
Kageorgis Jean, Griek, 30, moordenaar van Rwagasore. Winkelbediende in Bujumbura. Daar ingeschreven sinds 1955 maar er al eerder werkzaam en woonachtig. Veroordeeld tot de doodstraf en terechtgesteld op 29 juni, de dag van de onafhankelijkheid van Burundi.
Lumumba Patrice, eerste minister van het onafhankelijke Congo. Vermoord na enkele maanden, in januari 1961. Een enquête van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers is tot het besluit gekomen dat België daarin een morele verantwoordelijkheid draagt.
Mwambutsa IV, 46, vader van Rwagasore. Mwami of koning van Burundi van 1915 tot bij zijn afzetting in 1966.
Ntakiyica Jean-Baptiste, 30, vaak gewoon Jean genoemd. Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken in de regering-Cimpaye. Ter dood veroordeeld door het Burundese gerecht en geëxecuteerd in januari 1963.
Ntidendereza Jean-Baptiste, 35, doorgaans gewoon Jean genoemd. Voorman van de christendemocratische PDC, spilfiguur van het Front Commun, minister van Binnenlandse Zaken in de regering-Cimpaye en als dusdanig een van Rwagasore’s politieke tegenstanders. Ter dood veroordeeld door het Burundese gerecht en geëxecuteerd in januari 1963.
PDC, Parti Démocrate Chrétien, belangrijkste partij binnen het Front Commun, waartegen Rwagasore’s Uprona in september 1961 de parlementsverkiezingen wint. Zusterpartij van de Belgische Christelijke Volkspartij.
Regnier Roberto, resident van Burundi van juli 1961 tot begin 1962. Was daarvoor in Rwanda aan de slag als adjunct-resident.
Rwagasore Louis, geboren op 10 januari 1932 en dus 29 de dag van zijn dood. Oudste zoon van mwami Mwambutsa IV. Medeoprichter van UPRONA, de partij die in september 1961 de verkiezingen wint. Op 28 september verkozen tot eerste minister. Hij stond precies zestien dagen aan het hoofd van zijn regering toen Kageorgis hem op 13 oktober 1961 doodschoot.
Scheyven Robert, resident van Burundi van 1957 tot 1959. Later provinciaal commissaris. Neef van de christendemocratische politicus Raymond Scheyven.
Spaak Paul-Henri, 62, ten tijde van de moord op Rwagasore minister van Buitenlandse Zaken in de regering-Lefèvre.
Uprona. Parti de l’Unité et du Progrès national. Partij van Rwagasore. Wint in september 1961 de parlementsverkiezingen.
Vanderslyen, Max. Belgisch zakenman. Raadgever van Rwagasore, zowel in zijn politieke als zijn zakelijke initiatieven.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift